De cijfers liegen er niet om. Het wekelijkse exportvolume van Surinaamse groente naar Europa kelderde van 65 ton in 2018 naar slechts vijftien ton in 2026 en het aantal actieve exporteurs halveerde van dertien naar zeven. In een halfjaar tijd keurde de Europese Unie (EU) dit jaar drie exportzendingen af: rode peper, kouseband en sopropo. En al sinds 2011 geldt Suriname in Brussel als risicoland.
Tekst Ivan Cairo
Beeld dWT archief
Dat het land als risicogebied wordt aangemerkt, is geen conjuncturele dip. Het is een structurele economische vertrouwenscrisis die al jaren voortduurt. En wie alleen naar de overheid wijst, ziet de helft van het probleem. De boeren die verboden chemicaliën gebruiken of zich niet aan de gebruiksvoorschriften houden, zijn niet slechts slachtoffer van een falend systeem. Ze zijn er mede de oorzaak van.
“Voedselveiligheid kan niet wachten totdat zich een ernstig incident voordoet“NDP-parlementariër Ann Sadi
Economische rekening van een verbod
Het meest zichtbare symptoom is het sopropo-verbod. Sinds 2019 mag verse sopropo niet meer naar de EU vanwege het risico op de trips, een insectensoort. Alleen ingevroren sopropo vanuit Suriname mag de EU nog binnen.
Dat klinkt als een fytosanitaire maatregel, maar de economische impact is enorm: sopropo vertegenwoordigde vóór het verbod 35 tot 40 procent van het totale volume van Surinaamse verse groente-export naar Europa. Een product dat decennialang de kurk was waarop de export dreef, verloor als het ware van de ene op de andere dag de toegang tot de belangrijkste afzetmarkt.
Het pijnlijke is dat het niet nodig was. Landen als Mexico en de Dominicaanse Republiek kregen na dezelfde maatregel wél groen licht, omdat zij tijdig de vereiste fytosanitaire maatregelen doorvoerden. Suriname kreeg al sinds 2016 de waarschuwing dat Brussel maatregelen zou nemen, maar bleef in gebreke. Het gevolg: terwijl concurrenten hun export herstelden, bleef Suriname achter een dichtgespijkerde deur.
Boeren medeverantwoordelijk
De neiging bestaat om de lokale teler neer te zetten als een machteloze pion, overgeleverd aan falend overheidsbeleid en oneerlijke Europese regelgeving. Die framing is begrijpelijk, maar onvolledig.
De cijfers over pesticidegebruik zijn ronduit alarmerend. Suriname is in Zuid-Amerika koploper geworden wat betreft de import van pesticiden per hectare landbouwgrond. Jaarlijks importeert het land ongeveer 1,8 miljoen kilogram aan bestrijdingsmiddelen, omgerekend 38 tot 40 kilogram per hectare — ruim zestien keer hoger dan het wereldwijde gemiddelde. In 2010 en 2020 lag dat gebruik nog op ongeveer zeven kilogram per hectare.
Die explosieve stijging is niet alleen het gevolg van een lakse overheid. Ze weerspiegelt ook keuzes die telers zelf maken. Minister Mike Noersalim van Landbouw, Veeteelt en Visserij (LVV) constateerde eerder deze maand dat sommige landbouwers nog steeds eigen mengsels van bestrijdingsmiddelen – zogenoemde ‘cocktails’ – samenstellen, met alle risico’s van dien. Hij wees erop dat telers bestrijdingsmiddelen gebruiken zonder de juiste persoonlijke beschermingsmiddelen en dat de voorgeschreven veiligheidstermijnen tussen het bespuiten en oogsten niet worden nageleefd.
President Jennifer Geerlings-Simons verwoordde het in mei dit jaar nog scherper. Het gebruik van pesticiden is op zichzelf niet verboden, zei ze, ook internationaal worden landbouwproducten behandeld. “Het verschil ligt in het correct naleven van voorschriften en toegestane hoeveelheden.” Problemen ontstaan wanneer landbouwers zich niet aan richtlijnen houden en producten vlak vóór de verkoop nog intensief bespuiten, waardoor schadelijke resten achterblijven.
Daar komt bij dat er op de Surinaamse markt resten worden aangetroffen van middelen die in de EU al jaren zijn verboden. Paraquat (Gramoxone), sinds 2007 verboden in de EU, wordt volgens politicus Dharm Mungra nog altijd in Suriname gebruikt. Carbofuran, één van de meest giftige insecticiden die nog in gebruik zijn en verboden in de EU, Canada en de Verenigde Staten (VS), is eveneens in Surinaamse groenten aangetroffen. En de politie onderschepte in december 2025 in Nickerie tien dozen illegaal ingevoerde herbiciden die via de ‘backtrack’-route uit Guyana waren binnengesmokkeld.
Dit zijn geen abstracte statistieken. Het zijn keuzes – van telers, handelaren en toeleveranciers – die de Europese markt sluiten en de volksgezondheid in gevaar brengen. De boer die zijn gewas preventief wil beschermen tegen schimmels en insecten, grijpt naar middelen die hij kent en die werken. Maar hij is geen willoos slachtoffer. Hij is een schakel in een keten die hij mede vormgeeft.
Institutionele leegte achter de cijfers
Dat neemt niet weg dat de overheid haar eigen, minstens zo zware verantwoordelijkheid draagt. De wet Nationaal Instituut voor Voedselveiligheid (Nivs) is sinds 2021 van kracht. Het instituut moest de versnipperde controle bundelen, residunormen vaststellen en monsters nemen voor export én lokale markt.
Maar het Nivs functioneert sinds 2024 zonder Raad van Toezicht. Al bijna twee jaar ontbreekt volwaardig bestuurlijk toezicht. De wet verplicht de ministers van LVV, Volksgezondheid, Welzijn en Arbeid en Economische Zaken, Ondernemerschap en Technologische Innovatie tot minimaal drie keer per jaar overleg (artikelen 15 en 16). Dat overleg is nog nooit gehouden.
De Voedingsmiddelenwet uit 1911 waarop de controle rust is uit de tijd van de karrewagens en de koloniale handel. De ontwerp-Levensmiddelenwet die dat moet moderniseren, is op 6 maart dit jaar ingediend bij De Nationale Assemblee. De commissie van rapporteurs hoorde in april stakeholders en de wet stond op 9 juli geagendeerd voor plenaire behandeling. De behandeling is begonnen, maar niet afgerond. De parlementaire agenda is één ding; de politieke urgentie is een ander. En die urgentie ontbreekt.
En dan is er nog het residuenlaboratorium. Dat project loopt sinds 2012 of 2013. Eind dit jaar is de bouwkundige fase naar verluidt voor 99,9 procent afgerond, maar de benodigde apparatuur wordt pas in het eerste of tweede kwartaal van 2027 verwacht. Tot die tijd ontbreekt het de overheid aan de eigen controlecapaciteit om vast te stellen of producten veilig zijn.
Dit is de institutionele leegte: wetten die niet worden uitgevoerd, een toezichthouder zonder bestuur, een laboratorium dat al meer dan een decennium in aanbouw is en een parlement dat een wet uit 1911 laat voortbestaan. De overheid heeft de instrumenten op papier geschapen, maar ze vervolgens leeg laten lopen of niet ingevuld.
Én ze heeft nagelaten om telers die willens en wetens de regels overtreden, daadwerkelijk te sanctioneren. LVV-minister Noersalim heeft aangekondigd dat er maatregelen zullen volgen tegen overtreders, maar tot nu toe blijft het bij aankondigingen.
Ann Sadi: de stem van het ongeduld
Het is tegen deze achtergrond dat NDP-parlementslid Ann Sadi enkele dagen terug in de pen klom om deze zaak aan de kaak te stellen. Zij verwoordt wat velen in de samenleving weten, maar wat in de bestuurskamers blijft hangen: “Voedselveiligheid kan niet wachten totdat zich een ernstig incident voordoet”.
Sadi legt de verantwoordelijkheid nadrukkelijk bij de regering, niet bij de boer. Ze wijst erop dat de minister van LVV tijdens de Dag der Agrariërs onlangs boeren verantwoordelijk hield voor veilige producten, maar vergat dat zijn eigen ministerie de wet moet uitvoeren die het toezicht regelt.
Ze noemt de verwijzing naar een nog op te stellen pesticidenwet en het laboratorium dat sinds 2012 in aanbouw is ‘uitvluchten’. Terecht. Residuenanalyses kunnen al geruime tijd worden uitgevoerd, stelt ze; het probleem is dat de wet Nivs niet wordt uitgevoerd en de Levensmiddelenwet blijft liggen.
Haar meest confronterende observatie is misschien wel de eenvoudigste: “Als het werk al goed wordt gedaan, waarom ontdekt Europa onze problemen en niet wij zelf?” Waarom glippen besmette landbouwproducten langs die goed werkende instituten?
Sadi heeft gelijk dat de overheid haar wettelijke plicht verzaakt. Maar haar betoog blijft steken in een politieke framing waarin de boer vooral slachtoffer is. De werkelijkheid is weerbarstiger. Dezelfde overheid die nalaat om telers te controleren en te sanctioneren, heeft ook nagelaten om hen consequent voor te lichten en te begeleiden. En sommige telers hebben die ruimte gebruikt om door te gaan met praktijken die de Europese markt al vijftien jaar gesloten houden voor verse producten.
Consument betaalt de rekening
De economische schade blijft niet beperkt tot de export. De landbouwarealen die voor de Europese markt produceren, leveren ook aan de lokale markt. De lokale consument. Groente die niet voldoet aan de Europese normen, vindt zijn weg naar Surinaamse winkels, markten, eettafels en restaurants. Onderzoek toont aan dat op de lokale markt groenten en fruit worden verkocht met resten van pesticiden die in de EU al jaren verboden zijn. Na de notificaties van april en mei is er geen publieke waarschuwing of terugroepactie geweest.
President Geerlings-Simons heeft inmiddels aangekondigd dat producten met te hoge concentraties in de toekomst uit de handel worden gehaald en vernietigd. Maar die aankondiging kwam pas nadat de Europese afkeuringen zich hadden opgestapeld. En de vraag blijft hoe effectief die handhaving is zolang het eigen laboratorium nog niet operationeel is en de wettelijke basis uit 1911 dateert.
Kern van de zaak
De Surinaamse groente-export is geen slachtoffer van pech of van oneerlijke Europese regelgeving. Het is een slachtoffer van een gedeelde blindheid en een falend systeem. De overheid heeft de wetten niet uitgevoerd, de instituten niet laten functioneren en de telers niet gecontroleerd. En een deel van de telers heeft die ruimte benut om verboden middelen te gebruiken, cocktails te maken en veiligheidstermijnen te negeren.
“De cijfers over pesticidegebruik zijn ronduit alarmerend. Suriname is in Zuid-Amerika koploper geworden wat betreft de import van pesticiden per hectare landbouwgrond”
Zolang de drie ministers die inhoud moeten helpen geven aan de wettelijke bepalingen niet bij elkaar komen over voedselveiligheid, zolang het Nivs zonder toezicht opereert, zolang het parlement een wet uit 1911 laat voortbestaan én zolang boeren menen dat de regels niet voor hen gelden, zal Brussel exportzendingen uit Suriname blijven controleren, blijven afkeuren en blijven terugsturen of vernietigen.
De rekening daarvan wordt niet betaald door de verantwoordelijke bewindslieden, maar door telers die regels aan hun laars lappen en op termijn hun productie niet meer kunnen afzetten. Ze wordt verder betaald door de exporteur die zijn markt verliest, maar vooral door de consument die niet weet wat er op zijn bord ligt.
Op het pakje insecticide aan de rechterkant zijn de productie- en vervaldatum door de importeur verwijderd.
- ‘Bagasi – Wat we meedragen’ opent koffer met koloniaal verl…..
- Plunderingen en rellen teisteren Europese steden: winkels l…..
- Surinaamse ondernemer wil cassavebier in eigen land produce…..
- ICF: Suriname wordt gebruikt als doorreisroute naar Frans-G…..
- Offshore-industrie kent voor- en nadelen: ‘Makkelijkste man…..
- Na vijf jaar krijgen vissers in Coronie eindelijk weer visv…..
- Warm en vochtig weer houdt aan..
- ‘Kleinkinderen kunnen stilte slavernijverleden doorbreken’..
- Braziliaan verkoopt alles voor zijn grote liefde, maar droo…..
- Macron veroordeelt rellen in Frankrijk: bijna 2.400 arresta…..
- Jogi steunt Achaibersing als VHP-voorzitter..
- Nederlanders eten steeds minder vlees..
- Tennis – finales van 18 oktober..
- Cricket – internationale uitslagen..
- Politie onderzoekt mogelijk seksueel misbruik minderjarig …..
- Column: Een mens, steeds een andere naam..
- Politie stelt ultimatum ontruiming Masonia, waar Mennoniete…..
- ANALYSE — Internationale energiecrisis dreigt economisch he…..
- Paschalisschool krijgt eindelijk schoolmeubilair, maar gebo…..
- VHP PARLEMENTAIR BENADEELD..
- Column: Borrelpraat no. 946..