ANALYSE — Internationale energiecrisis dreigt economisch herstel Suriname te ondermijnen

De internationale energiecrisis en aanhoudende geopolitieke spanningen kunnen de Surinaamse economie opnieuw zwaar onder druk zetten. Hogere brandstofprijzen, oplopende inflatie, wisselkoersdruk en duurdere internationale financiering dreigen het economische herstel te bemoeilijken. De waarschuwing van Christine Lagarde, president van de Europese Centrale Bank (ECB), is daarom ook voor Suriname bijzonder relevant.

Tekst Ivan Cairo

Beeld Europa Press

Een rapport van het Internationaal Monetair Fonds (IMF) laat zien dat een langdurige energiecrisis de inflatie in Suriname tot 13,5 procent kan opdrijven. Intussen heeft de regering al tientallen miljoenen Amerikaanse dollars aan brandstofprijsbeheersing besteed en inkomsten gederfd.

“Suriname probeert zijn economie te stabiliseren, terwijl de verwachtingen over toekomstige olie-inkomsten hooggespannen zijn“

De boodschap van Lagarde tijdens de IMF-jaarvergaderingen op 17 oktober is duidelijk: de wereldeconomie heeft zich opmerkelijk veerkrachtig getoond, maar de risico’s nemen toe. De oorlog in het Midden-Oosten, de voortdurende oorlog in Ukraïne en toenemende handelsconflicten bedreigen de internationale economische stabiliteit. Vooral de energieprijzen vormen een gevaar.

IMF becijfert risico’s

De inflatie in de eurozone is in september opgelopen tot 3,8 procent, voornamelijk door stijgende energieprijzen. De ECB verwacht dat de inflatie tot in 2027 boven haar doelstelling van 2 procent zal blijven. Daarom heeft de centrale bank in juni en september haar belangrijkste rentetarieven telkens met 0,25 procentpunt verhoogd.

Voor Suriname schuilt het gevaar niet zozeer in de Europese inflatie zelf, maar in de internationale ontwikkelingen die daaraan ten grondslag liggen. Dezelfde olieprijsstijgingen die Europese consumenten en bedrijven treffen, kunnen in Suriname een veel grotere economische ontregeling veroorzaken. Dat heeft alles te maken met de kwetsbaarheid van een economie die sterk afhankelijk is van import, buitenlandse valuta en een beperkt aantal exportproducten.

Dat de waarschuwingen niet uitsluitend theoretisch zijn, blijkt uit een IMF-rapport over Suriname dat in juni 2026 werd gepubliceerd. Daarin heeft het fonds verschillende scenario’s doorgerekend voor de gevolgen van stijgende internationale olieprijzen.

In het basisscenario gaat het IMF voor 2026 uit van een gemiddelde olieprijs van 82 Amerikaanse dollar per vat, een economische groei van 3,9 procent en een inflatie van 9,7 procent aan het einde van het jaar. Bij een gemiddelde olieprijs van 103 dollar kan de inflatie oplopen tot 12 procent. In een zwaarder scenario, met een olieprijs van 113 dollar, stijgt de inflatie zelfs tot 13,5 procent. Tegelijkertijd vertraagt de economische groei van 3,9 naar 3,4 procent. De berekeningen voorspellen hoe gevoelig Suriname is voor internationale ontwikkelingen waarop het nauwelijks invloed heeft.

Inflatie en brandstof

Volgens de recentste cijfers van het Algemeen Bureau voor de Statistiek (ABS) is de jaarinflatie in augustus 2026 gedaald tot 8,0 procent, tegenover 8,9 procent in juli. De prijzen stegen tussen juli en augustus met 0,3 procent. Daarmee lijkt de inflatiedruk voorlopig af te nemen, maar achter het landelijke gemiddelde gaan aanzienlijke prijsstijgingen schuil. Groenten en fruit waren in augustus 28,1 procent duurder dan een jaar eerder, medische en paramedische diensten 28,2 procent en melk, melkproducten en eieren 13,7 procent.

De dalende inflatie betekent bovendien niet dat goederen goedkoper worden, maar dat de prijzen gemiddeld minder snel stijgen. Een nieuwe internationale energieprijsschok kan deze ontwikkeling weer tenietdoen. Het ABS-cijfer van augustus ligt weliswaar onder de IMF-raming van 9,7 procent voor eind 2026, maar beide cijfers hebben betrekking op verschillende meetmomenten.

Het meest directe gevaar schuilt in de brandstofprijzen. Hoewel Suriname zelf aardolie produceert, is het voor een belangrijk deel van zijn binnenlandse brandstofvoorziening afhankelijk van geïmporteerde aardolieproducten. Stijgende internationale olieprijzen werken daardoor door in transportkosten, elektriciteitsopwekking, landbouw en industriële productie. Transporteurs en producenten zullen hogere kosten zoveel mogelijk doorberekenen, waardoor uiteindelijk ook voedingsmiddelen en andere dagelijkse levensbehoeften duurder worden.

Dat is precies het mechanisme waarvoor Lagarde waarschuwt. Een aanvankelijke stijging van energieprijzen kan zich verspreiden naar vrijwel alle onderdelen van de economie. Wanneer vervolgens hogere lonen nodig zijn om koopkrachtverlies te compenseren, kan een nieuwe ronde van prijsverhogingen ontstaan.

Voor Suriname is dit risico extra groot omdat de economie al jarenlang gevoelig is voor wisselkoersschommelingen en inflatieverwachtingen. Een externe prijsschok kan daardoor bestaande binnenlandse spanningen versterken.

Miljarden aan subsidiekosten

Een belangrijke conclusie uit het IMF-rapport is dat hogere olieprijzen niet automatisch gunstig zijn voor de Surinaamse overheidsfinanciën. Hogere prijzen kunnen extra inkomsten opleveren, maar tegelijkertijd stijgen de kosten van brandstofprijsbeheersing en de elektriciteitssubsidies.

Het IMF berekende dat de aanvullende kosten in een ongunstig scenario in 2026 ongeveer SRD 2,8 miljard kunnen bedragen. In het zwaarste scenario stijgen die tot SRD 4,1 miljard, oftewel 1,7 procent van het geraamde bruto binnenlands product (BBP). Wanneer het conflict aanhoudt en de gemiddelde olieprijs in 2027 tot 124 dollar per vat stijgt, kunnen de extra kosten zelfs SRD 7,5 miljard bedragen, gelijk aan 2,6 procent van het BBP.

De financiële gevolgen zijn inmiddels concreet zichtbaar. Sinds de regering op 17 maart een maximumprijs, de zogenoemde price cap, voor brandstof invoerde, loopt de budgettaire last aanzienlijk op. Minister Adelien Wijnerman van Financiën en Planning maakte op 21 augustus bekend dat de maatregel de staat tot en met juli ongeveer SRD 1,4 miljard, omgerekend circa 37 miljoen US dollar heeft gekost. Volgens haar bedraagt de maandelijkse last ongeveer SRD 350 miljoen, ofwel 9,2 miljoen US dollar.

Wanneer deze maandelijkse kosten ook in augustus, september en de eerste helft van oktober op hetzelfde niveau zijn gebleven, kan de totale budgettaire last medio oktober zijn opgelopen tot ongeveer SRD 2,3 miljard, omgerekend circa 61 miljoen US dollar. Het gaat hierbij niet uitsluitend om rechtstreekse subsidie-uitgaven, maar ook om gederfde overheidsinkomsten doordat de government take op brandstof niet volledig wordt geïnd.

De regering staat daardoor voor een moeilijke keuze. Ze kan hogere energieprijzen gedeeltelijk opvangen met subsidies, maar dat vergroot de druk op de staatskas. Worden de kosten volledig doorberekend aan consumenten en bedrijven, dan nemen de inflatie en maatschappelijke druk toe. Beide opties hebben economische nadelen.

Wisselkoers en deviezenreserves

Een langdurige energiecrisis kan ook de positie van de Surinaamse dollar verzwakken. Wanneer meer vreemde valuta nodig zijn voor duurdere brandstofimporten, neemt de druk op de betalingsbalans toe. Internationale onzekerheid kan bovendien de voorkeur voor Amerikaanse dollars versterken.

Het IMF voorziet in zijn zwaarste scenario voor 2026 een verslechtering van het tekort op de lopende rekening van de betalingsbalans van 44,8 naar 46,2 procent van het BBP. De internationale reserves, exclusief afzonderlijk afgeschermde deviezenreserves, zouden kunnen teruglopen van 1,7 miljard naar 1,3 miljard Amerikaanse dollar.

Daarbij moet worden aangetekend dat het omvangrijke tekort op de lopende rekening mede samenhangt met grote importen voor de offshore-oliesector, die grotendeels met buitenlandse investeringen worden gefinancierd. Het tekort betekent daarom niet automatisch dat er een even groot financieringsprobleem bestaat. Niettemin kan een energiecrisis de externe financiële positie verzwakken. Een eventuele waardedaling van de SRD zou geïmporteerde goederen opnieuw duurder maken, waardoor wisselkoersdruk en inflatie elkaar kunnen versterken.

Internationale financiering duurder

De waarschuwing van Lagarde over hoge rentetarieven en verslechterende financieringsvoorwaarden verdient eveneens aandacht. Wanneer grote centrale banken hun rente hoog houden, kan internationaal kapitaal duurder worden. Vooral landen met een hoge staatsschuld en kwetsbare kredietwaardigheid kunnen daarvan hinder ondervinden.

Voor Suriname is vooral het Amerikaanse rentebeleid belangrijk, omdat een groot deel van de internationale financiering in dollars plaatsvindt. Europese renteverhogingen hebben dus niet noodzakelijk dezelfde directe invloed, maar maken deel uit van een bredere ontwikkeling.

Het IMF heeft eerder gewezen op de kwetsbare schuldpositie van Suriname. Hogere financieringskosten kunnen de begrotingsruimte verder beperken, juist wanneer extra middelen nodig zijn om kwetsbare groepen tegen de gevolgen van inflatie te beschermen.

Goud en olie

Niet alle internationale ontwikkelingen hoeven nadelig uit te pakken. De goudsector kan juist profiteren van geopolitieke onzekerheid. Wanneer beleggers goud opzoeken als veilige belegging, kan de internationale goudprijs stijgen. Voor Suriname kan dat extra deviezen en overheidsinkomsten opleveren. Toch leiden hogere goudprijzen niet automatisch tot evenredig hogere staatsinkomsten. Dat hangt af van de productie, bedrijfskosten, belastingen, royalty’s en de mate waarin de overheid daadwerkelijk haar aandeel ontvangt.

Bovendien kan een hogere goudprijs illegale goudwinning aantrekkelijker maken, met mogelijk extra milieuschade en verdere uitbreiding van activiteiten waarop onvoldoende toezicht bestaat. De goudsector kan dus een financiële buffer vormen, maar biedt geen structurele bescherming tegen internationale economische schokken.

Suriname bereidt zich ondertussen voor op een ingrijpende economische verandering door de verwachte start van grootschalige offshore-olieproductie in 2028. Die ontwikkeling kan op termijn aanzienlijke inkomsten opleveren en de deviezenpositie versterken. Maar de toekomstige olie-inkomsten bieden geen onmiddellijke oplossing voor de huidige kwetsbaarheden.

De ontwikkeling van de offshore-industrie brengt bovendien omvangrijke investeringen en importen met zich mee, terwijl de grote productie-inkomsten nog moeten worden gerealiseerd. Hogere olieprijzen kunnen de toekomstige opbrengsten vergroten, maar tegelijkertijd de kosten van materialen, transport en financiering verhogen. Het zou daarom onverstandig zijn wanneer de regering de verwachte olierijkdom aangrijpt om noodzakelijke begrotingsdiscipline en economische hervormingen uit te stellen.

Binnenlands beleid doorslaggevend

De belangrijkste les uit de waarschuwingen van Lagarde en de IMF-analyses is dat Suriname internationale schokken niet kan voorkomen, maar wel kan bepalen hoe zwaar die het land treffen. De regering en de Centrale Bank van Suriname staan voor de uitdaging om de inflatie te beheersen zonder het economische herstel onnodig af te remmen. Daarvoor zijn geloofwaardig begrotingsbeleid, monetaire discipline en verantwoord schuldbeheer noodzakelijk.

Ook het subsidiebeleid verdient heroverweging. Algemene subsidies zijn kostbaar en komen niet uitsluitend terecht bij degenen die ondersteuning het hardst nodig hebben. Gerichte steun aan kwetsbare huishoudens kan doelmatiger zijn, mits de uitvoering betrouwbaar is.

Daarnaast blijft versterking van de binnenlandse productie noodzakelijk. Zolang Suriname voor een groot deel van zijn consumptie afhankelijk is van import, blijft het gevoelig voor internationale prijsstijgingen en wisselkoersschommelingen.

Waarschuwing vóór de olierijkdom

Lagarde’s waarschuwing komt voor Suriname op een gevoelig moment. Het land probeert zijn economie te stabiliseren, terwijl de verwachtingen over toekomstige olie-inkomsten hooggespannen zijn.

“De belangrijkste les uit de waarschuwingen van Lagarde en de IMF-analyses is dat Suriname internationale schokken niet kan voorkomen, maar wel kan bepalen hoe zwaar die het land treffen“

De IMF-scenario’s tonen aan dat een nieuwe energiecrisis het herstel kan ondermijnen. Een inflatie die in een zwaar scenario oploopt tot 13,5 procent, tragere economische groei en miljarden SRD aan extra subsidiekosten zijn risico’s die niet lichtvaardig mogen worden opgevat. Deze scenario’s voorspellen geen vaststaande toekomst. De uiteindelijke gevolgen hangen af van internationale ontwikkelingen én de beleidskeuzes die Suriname zelf maakt.

Juist daarom mag de toekomstige olierijkdom het zicht op de kwetsbaarheden van vandaag niet ontnemen. Suriname kan zich geen nieuwe situatie veroorloven waarin externe schokken worden versterkt door begrotingsproblemen, monetaire onevenwichtigheden en verlies aan vertrouwen in de nationale munt. De wezenlijke vraag is dan ook niet alleen hoeveel geld Suriname vanaf 2028 aan olie kan verdienen, maar vooral hoe het land de periode daarvóór economisch en financieel doorkomt.