Dode vissen

BEWONERS LANGS DE Saramaccarivier zitten al een paar weken met de handen in hun haar nadat op grote schaal dode vissen aanspoelden. Ondertussen lijkt de regering te doen wat zij het beste kan, namelijk de kop in het zand steken. Al bijna een maand lang wordt iedereen met gedraal over de oorzaak van de dode vissen aan het lijntje gehouden, terwijl zich wel een milieuramp aan het voltrekken is.

De massale vissterfte legt wederom een pijnlijk en terugkerend patroon binnen de regering bloot, waarbij door laksheid, een chronisch gebrek aan daadkracht en een falende communicatie op zijn minst bij burgers de indruk wordt gewekt dat zij niet serieus worden genomen. Terwijl het leefgebied en de bestaanszekerheid van inheemse en tribale gemeenschappen direct worden bedreigd door een vermoedelijke chemische verontreiniging, blinken de leiders uit in passiviteit.

Suriname kan zich geen lakse ministers als Brunings veroorloven die pas in actie komen als het kalf al is verdronken – of in dit geval, de vis al is gestorven

Het feit dat De Nationale Assemblee minister Patrick Brunings van Olie, Gas en Milieu dinsdag met spoed moest ontbieden om tekst en uitleg te dwingen, spreekt boekdelen over de prioriteitenstelling van de regering. Het is ronduit onacceptabel dat het parlement – en daarmee het volk – wekenlang in het ongewisse wordt gelaten over deze ecologische dreiging. Vragen van volksvertegenwoordigers bleven onbeantwoord, totdat de minister het plotseling nodig vond om via de media een vage verklaring af te leggen die geen enkele helderheid verschafte.

Dit getuigt van een diepe minachting voor de democratische instituten en de getroffenen in het achterland. De dorpsbewoners, onder leiding van kapitein Joan van der Bosch, moesten zelf op 9 juli naar de stad trekken om met een petitie alarm te slaan. Hun schreeuw om schoon drinkwater, voedselzekerheid en financiële compensatie stuitte tot nu toe op een muur van bureaucratische traagheid en politieke desinteresse.

De overheid verschuilt zich achter het argument dat het land voor toxicologische analyses afhankelijk is van laboratoria in Frans-Guyana en Frankrijk. Natuurlijk is het ontbreken van eigen capaciteit een structureel probleem, maar het mag nooit als excuus dienen voor een trage crisisbeheersing.

Dat we tot halverwege augustus moeten wachten voor definitieve uitslagen – waarschijnlijk – zullen komen, betekent niet dat de regering in de tussentijd op haar lauweren kan gaan rusten, terwijl zich een humanitaire ramp dreigt af te tekenen voor de dorpen die afhankelijk zijn van de rivier.

Waar blijft het concrete noodplan? Waar blijft de directe, structurele hulp aan de vissers en gezinnen die van de ene op de andere dag hun inkomsten en voedselbron zijn kwijtgeraakt? Bovenal: hoe gaat de regering dergelijke calamiteiten in de toekomst voorkomen? En wordt de vervuiler deze keer wel aangepakt en bestraft en zal die voor alle geleden schade moeten opdraaien? Of wordt alles – zoals gebruikelijk – weer onder de mat geveegd en komen de daders er opnieuw mee weg?

Deze crisis legt ook de bestuurlijke chaos bloot. Want als politici onderling nog moeten bakkeleien over de vraag of de milieuportefeuille, die Brunings toebehoort, wel wettelijk is vastgelegd in een staatsbesluit, dan is het einde zoek. Waarom heeft de regering dat niet in orde gemaakt? Immers, daar had ze alle tijd voor. Milieubeleid is geen optionele luxe; het is een kwestie van nationale veiligheid en volksgezondheid.

Suriname kan zich geen lakse ministers zoals Brunings veroorloven die pas in actie komen als het kalf al is verdronken – of in dit geval, de vis al is gestorven. De regering moet daadkracht en transparantie tonen, de getroffen gemeenschappen compenseren en keihard optreden tegen de veroorzakers van deze milieuramp. Praten over intentieverklaringen met oliemaatschappijen voor betere laboratoria is leuk voor de toekomst, maar de Saramaccarivier wordt nú vergiftigd.