De buren

ROZENGEUR / Gerold Rozenblad

Het is een klein doodlopend straatje waarin ik woon. Het laatste huis. Lekker rustig, want er is alleen bestemmingsverkeer voor de minder dan twintig woningen die er staan. Je bent er in feite alleen met je buren. Dus hangt vrij veel af van hoe we met elkaar omgaan en vooral ook wat we van elkaar vinden. Je groet bij aankomst of vertrek, even zwaaiend, en eerlijk gezegd is er niet veel meer in voor mij. Slechts met twee maak ik af en toe een praatje van langer dan vijftien minuten. De rest ligt onder de vijf minuten of krijgt alleen een zwaai.

Natuurlijk heb ik over allemaal een mening en zij zullen die over mij ook hebben. Ik denk dat ze me een rare figuur vinden want ze zien me niet anders dan wanneer ik weg rij of aan kom rijden. Op het erf zul je me bij hoge uitzondering zien. “Alleen aan je auto kan ik zien of je thuis bent of niet”, werd me een keer veelbetekenend gezegd. Wat ze in elk geval konden waarderen was toen ik eigener beweging een kleine graafmachine liet aanrukken om ons goeddeels van het aangrenzende bos te ontdoen, zodat de buurt weer wat kon ‘ademen’. Dus een ellendeling zullen ze mij kennelijk niet vinden. Hoop ik.

Hoe anders is het wanneer je links en rechts in feite wordt uitgekotst en jij je weleens moet afvragen of je er wel past. Zoals wij als land misschien ons moeten afvragen. Links worden we op pras’ oso manier uitgescholden door een buur die naar mijn mening ook niet veel beter is. Het is als die ene buur met wie je de ene dag constant over de schutting hangt en de andere dag elkaar de volle laag geeft. “Luku a ley beest”, werd ons recent nog nageroepen. En laat het juist die buur zijn die je recent wat spullen leende, en je zal het horen, zoals wij het ook hoorden. Je kan terugroepen: “kijk naar je eigen”, zoals wij deden. Maar dat af en aan geruzie en de bijbehorende bigi taki, daar kunnen we in het kader van goed nabuurschap wel zonder leven.

Als het bij die ene buur bleef, zou jij je nog met je neus in de wind kunnen verplaatsen. Anders wordt het wanneer die andere, die rustige, ook begint te knorren. Nu over je slordigheid. Want je trottoir zit vol zwerfvuil dat hun richting opwaait en alsof dat niet genoeg is heeft die buur ernstig moeite met de opgestapelde auto batterijen die tegen de schutting aan zijn opgestapeld en waarvan het zuur ook zijn erf op sijpelt. Die buur wil orde en een goede regeling aangaande de grens, zodat in goed nabuurschap verder kan worden geleefd. Hij heeft jarenlang gepraat en bijna gebedeld, maar het lijkt erop alsof wij liever wanorde hebben. De frustratie was de afgelopen week te horen in de man zijn toon. Hij koos ervoor niet te schelden als de andere buur, maar de gedekte bigi taki was er niet minder om. En deze buur kunnen we niets terug zeggen.

Mijn moeder zei me ooit dat als je problemen krijgt met iedereen, kennelijk jij het probleem bent. En dat gaat je achtervolgen, ook wanneer je een keer gelijk hebt, zoals in het laatste geval met die pras oso buur. De enige die wij (nog) niet hebben horen mopperen of klagen is onze achterbuur. Dan zouden we helemaal de kwade pier zijn in de buurt. Verre vrienden schijnen we genoeg te hebben; het is dat we beseffen dat een goede buur nog altijd stukken beter is.

roziegeur@gmail.com