Wie zonder noodzaak een wapen trekt, faalt professioneel

De uitspraak van minister Harish Monorath van Justitie en Veiligheid, “Een wapen trek je alleen als je moet schieten”, legt een pijnlijke vraag bloot: waarom werd tegenover een tiener die geen direct gevaar vormde überhaupt een vuurwapen getrokken?

Volgens een ervaren sportschutter is een vuurwapen geen instrument om gezag af te dwingen, iemand bang te maken of een woordenwisseling te winnen. Zelfs op de schietbaan geldt als basisregel dat de loop nooit wordt gericht op iets waarop men niet bereid is te schieten.

Een politie wapeninstructeur wijst erop dat een professional juist wordt getraind om onder spanning beheerst te handelen. Stel dat een tiener scheldt, weigert mee te werken of probeert weg te lopen. Dat gedrag kan optreden noodzakelijk maken, maar rechtvaardigt niet automatisch het trekken en richten van een vuurwapen. Bij een onmiddellijke dreiging met bijvoorbeeld een vuurwapen ligt dat anders.

Juist daarin zit het ernstige van deze zaak. Een gewapende ambtenaar heeft opleiding, gezag en een dodelijk middel tot zijn beschikking. Van hem mag daarom méér zelfbeheersing worden verlangd, niet minder.

Als onderzoek bevestigt dat de tiener geen onmiddellijke ernstige bedreiging vormde, kan dit niet worden afgedaan als een ongelukkige inschatting. Dan moet worden onderzocht of dienstvoorschriften zijn overtreden en moeten passende disciplinaire of andere juridische gevolgen volgen.

Een dienstwapen is geen verlengstuk van iemands ego. Wie dat onderscheid niet kan maken, hoort niet gewapend dienst te doen.