Tussen hoop en wantrouwen

MET DE AFSLUITING van 2025 – een veelbewogen jaar, dat vernieuwing bracht in het politieke leiderschap – voor het eerst een vrouw aan het hoofd van de regering – staat Suriname aan de vooravond van wat een historisch keerpunt kan worden. De verwachte olie-inkomsten vanaf 2028 bieden perspectief op structurele economische groei en staatsinkomsten.

Maar voordat die belofte realiteit wordt, moet Suriname tussen nu en dat moment eerst de fundamentele problemen onder ogen zien die het land ondermijnen: corruptie, bestuurlijke zwakte en sociaaleconomische stagnatie. Deze issues zijn het land in 2025 niet bespaard gebleven.

Een treffend voorbeeld zijn de corruptieschandalen rond het ministerie van Landbouw, Veeteelt en Visserij (LVV), die na het aantreden van de nieuwe regering aan het licht kwamen. In november 2025 werd de directeur van Veeteelt gearresteerd op beschuldiging van verduistering van staatsvee, landbouwmachines en poging tot oplichting van de staat voor ongeveer SRD 86 miljoen, waarbij staatsmiddelen zonder goedkeuring waren verkocht of verhuurd en frauduleuze transacties werden voorbereid. Ook bij de Melkcentrale en bacovebedrijf FAI was het bar en boos. Van beide staatsbedrijven zijn meerdere directieleden en toppers opgesloten.

In het onderzoek bij LVV werd ook een zakenman in verzekering gesteld en later voorlopig vrijgelaten. Deze ontwikkelingen geven aan dat het niet om een geïsoleerd incident gaat, maar om diepgewortelde structuurproblemen in het toezicht op publieke middelen en contracten.

De nasleep van dergelijke schandalen schaadt niet alleen de reputatie van de overheid, maar raakt direct de kern van wat burgers verlangen: transparantie, eerlijk bestuur en de zekerheid dat publieke middelen zijn bestemd voor de samenleving en niet voor particuliere zakken.

Deze malversaties komen op een moment dat de economie zich probeert los te worstelen uit de fragiele positie waarin zij zich sinds de economische crisis aan het begin van de regering-Santokhi in 2020 bevindt. Het IMF-programma heeft enige macro-economische stabiliteit gebracht, maar ook aangetoond dat hervormingen niet zonder maatschappelijke pijn gaan. Terwijl de inflatie zich enigszins stabiliseerde en de groei gematigd bleef, werd duidelijk dat structurele hervormingen in het publieke beheer, in de transparantie en in institutionele capaciteit nog achterblijven.

In 2026 staan de leiders voor cruciale uitdagingen. De economie moet niet alleen stabiliseren, maar ook diversifiëren. De huidige groei steunt nog te veel op goud, aardolie en traditionele grondstoffen. Tegelijkertijd blijft de sociale infrastructuur – zoals gezondheidszorg, onderwijs en openbare diensten – onder druk staan, terwijl de werkloosheid en armoede hoog blijven.

En dan is er de looming giant: olie. De productie die rond 2028 moet beginnen, belooft potentieel miljarden aan staatsinkomsten, met productieschattingen rond 220.000 vaten per dag en een cumulatief effect van miljarden dollars over de komende jaren.

Maar olie kan zegen en vloek tegelijk zijn. Zonder strikte transparantie, robuust institutioneel beheer, zoals een goed functionerend Sovereign Wealth Fund en waarborgen tegen corruptie en ‘Dutch disease’, bestaat het risico dat de olie-inkomsten in dezelfde roekeloze bestedings- en corruptiepatronen verdwijnen die Suriname tot nu toe parten speelden.

Het land kan olie als katalysator voor inclusieve ontwikkeling gebruiken, maar alleen als de fouten van het verleden worden vermeden. Dat betekent: meer transparantie, sterker toezicht op publieke middelen en een politiek die dienstbaar is aan de burgers, niet aan kapers op de kust.

De redactie van de Ware Tijd wenst de totale samenleving een zalig uiteinde en een schitterend nieuw jaar toe.