Symposium roept op tot Taalwet: ‘We dreigen terrein te verliezen’

Surinaamse talen zijn meer dan een middel om met elkaar te communiceren. Ze dragen geschiedenis, cultuur en identiteit. Toch is die erkenning door de overheid niet vanzelfsprekend. Dat werd opnieuw duidelijk tijdens het symposium ‘Surinaamse Talen’, dat woensdag werd georganiseerd door het Sarnami Instituut Nederland in de Guesthouse van de Anton de Kom Universiteit. “Dit symposium laat zien dat we eigenlijk allemaal in hetzelfde schuitje zitten. Wij vormen het nationaal erfgoed van de republiek Suriname, maar bevinden ons in een gevarenzone, omdat de druk vanuit het Nederlands zo groot is, dat wij terrein dreigen te verliezen”, zegt Rabin Baldewsingh, voorzitter van Sarnami Instituut Nederland en initiatiefnemer van de bijeenkomst, in gesprek met de Ware Tijd.

Tekst en beeld Audry Wajwakana

In een goed bezochte bijeenkomst kwamen verschillende talen in het land en hun positie in de Surinaamse samenleving aan bod. De rode draad was de vraag hoe die talen niet alleen gewaardeerd, maar ook daadwerkelijk kunnen worden beschermd en versterkt. Sprekers en belangstellenden kwamen samen om een gedeelde zorg te bespreken, namelijk dat de Surinaamse talen onder druk staan.

“Wij hebben geen budget. Daarom zijn we beperkt in wat we kunnen doen. Toch blijven we ons inzetten in het verder uitwerken van beleid”Moenisha Hiwat-Mahabiersing

In de eerste helft van de bijeenkomst werd in verschillende themasessies ingezoomd op de positie en ontwikkeling van onder meer het Sranantongo, het Sarnámi, het Surinaams-Javaans, de marron- en inheemse talen. Daarbij lag de nadruk niet alleen op de huidige stand van zaken, maar ook op de vraag hoe deze talen een stevige plaats kunnen krijgen binnen het onderwijs, de media en het nationale beleid.

Baldewsingh wijst op het feit dat een Taalwet als fundamentele basis in Suriname ontbreekt. Zo een wet zou volgens hem duidelijk maken dat talen niet alleen communicatiemiddelen zijn, maar ook dragers van identiteit en erfgoed.

Bescherming van die talen moet worden door vertaald naar de Grondwet, naar het curriculum en het onderwijs. “Pas dan kan er sprake zijn van echte borging.” In zijn visie zal een Taalwet niet alleen erkenning geven, maar ook de weg openen naar concreet beleid, bijvoorbeeld rond tweetalig onderwijs, keuzevakken en bredere verankering van talen in de samenleving.

Drop-outs

Moenisha Hiwat-Mahabiersing, voorzitter van de Taalraad, onderstreept dat de situatie dringend is. Zij stelde dat de verschillende Surinaamse talen niet mogen worden verwaarloosd, maar juist moeten worden aangesterkt. “Het gaat om talen die in Suriname zijn ontstaan en hier worden gesproken, ook in de diaspora.”

De Taalraad heeft inmiddels een taalbeleid voorgesteld en een concept-Taalwet uitgewerkt, die vorig jaar mei zijn aangeboden aan het ministerie van Onderwijs, Wetenschap en Cultuur. Daarnaast zijn er herziene spellingsversies opgesteld van het Sranantongo en het Sarnámi en voor het eerst ook de spellingsregels voor het Okanisi (Aucaans) en het Saamaka (Saramacaans).

Ook over het Frans aan beide oevers van de Marowijnerivier is advies gegeven. Hiwat-Mahabiersing schetst de complexiteit van het grensdistrict. Er zijn kinderen die aan beide oevers van de rivier onderwijs volgen in scholen in Saint-Laurent, waar Frans wordt gesproken en thuis hun moedertaal spreken.

Tegelijkertijd zijn schoolkinderen in Marowijne slachtoffer van een schoolsysteem, waarin Nederlands de sleuteltaal is, terwijl zij thuis een andere taal spreken. “Dus wat moet er gebeuren met het Frans en het Nederlands, als zo een kind vervolgonderwijs in Suriname wil volgen, waar de taal Nederlands is. Er ontstaan vreselijk veel drop-outs. Dat zijn ernstige situaties waar de kinderen geen op kant op kunnen”, zegt ze.

Kinderen migranten

Dit geldt ook voor andere niet-Nederlands sprekende kinderen in Paramaribo, zoals Hiwat-Mahabiersing ze noemt ‘de zij-instromers, kinderen van Spaans en Portugees sprekenden’. “Wat doe je met een kind van bijvoorbeeld een Cubaanse arts die het niveau heeft van onze vijfde klas basisschool en ook naar school moet? Niet altijd willen ze naar een internationale school.”

Voor deze niet-Nederlands sprekende kinderen van de zogenaamde nieuwe migranten en kinderen van het grensdistrict Marowijne gaat het dus niet (alleen) om behoud, maar (ook) hoe de talen een plaats kunnen krijgen in het dagelijks leven en vooral in het onderwijs. Hiwat-Mahabiersing pleit daarom voor meer aandacht voor taaldidactiek en vreemde taaldidactiek in de opleiding voor leerkrachten.

De noodzaak voor actie is groot. Hiwat-Mahabiersing benadrukt dat de Taalraad wel resultaten heeft geboekt, maar dat die nog onvoldoende zijn opgevolgd. De Taalraad is vier jaar geleden opgericht. Uitvoering is voor de raad de volgende stap. “Wij hebben geen budget. Daarom zijn we beperkt in wat we kunnen doen. Toch blijven we ons inzetten in het verder uitwerken van beleid en het zoeken van contact met de betrokken instanties”, zegt ze.

Aanbevelingen

Aan het einde van het symposium werd duidelijk vastgesteld dat de Surinaamse talen het fundament vormen van de samenleving. Deelnemers trokken drie hoofdinzichten uit de dag: taal is geen randverschijnsel, maar een kernonderdeel van natievorming, erkenning vraagt om meer dan woorden, namelijk om concrete keuzes in beleid en praktijk en de toekomst van de Surinaamse talen is niet vanzelf verzekerd, maar afhankelijk van wat vandaag wordt gedaan.

Vanuit deze inzichten formuleerde het symposium een reeks aanbevelingen, waarvan er drie als meest urgent naar voren kwamen. Allereerst moet erkenning worden vertaald naar concreet beleid en zichtbaar gebruik in de samenleving. Daarnaast is het belangrijk de talen structureel te verankeren in het onderwijs, omdat duurzame overdracht zonder onderwijs onmogelijk is. Het laatste is om een samenhangend taalbeleid, inclusief een taalwet, voor structurele bescherming en borging te ontwikkelen.

Wat tijdens het symposium is opgehaald vormt nu de basis voor vervolgstappen in het bundelen van inzichten, het voeren van dialogen met betrokken partijen, en het vertalen naar concrete beleidsvoorstellen.