Soevereiniteit Corantijnrivier respecteren

HET STANDPUNT VAN president Irfaan Ali van Guyana over de heffingen op de Corantijnrivier verdient een kritische beschouwing. Zijn suggestie dat Suriname met deze maatregelen de geest van wederkerigheid schendt, berust op een misleidende vergelijking die de kern van de zaak uit het oog verliest.

Ali wijst erop dat Surinaamse bedrijven al geruime tijd zonder belemmeringen in Guyana opereren. Dat is op zichzelf juist, maar hij laat een cruciaal detail onvermeld: deze bedrijven functioneren daar binnen het kader van de Guyanese wet- en regelgeving. Zij investeren, werken en verdienen in Guyana, omdat zij zich houden aan de regels die door de Guyanese staat zijn vastgesteld. Er is dus geen sprake van een vrijblijvende toegang, laat staan van een recht dat automatisch wederkerig moet worden toegepast in een totaal andere context.

Dat president Ali ervoor kiest om zijn bezorgdheid publiekelijk via sociale media te uiten, zet de toon voor publieke druk in plaats van stille diplomatie

De situatie op de Corantijnrivier is fundamenteel anders. Deze rivier valt over de volle breedte onder Surinaamse jurisdictie. Dat betekent dat Paramaribo niet alleen het recht heeft, maar ook de plicht, om het gebruik van deze waterweg te reguleren en daar waar nodig heffingen toe te passen. Het gelijkstellen van commerciële activiteiten binnen een nationale economie met het gebruik van een grensrivier onder soeverein gezag is dan ook een onjuiste en simplistische redenering van het Guyanese staatshoofd.

De reactie van het ministerie van Buitenlandse Zaken, Internationale Handel en Samenwerking (BIS) is in dit licht zowel terecht als noodzakelijk. Het ministerie maakt duidelijk dat de heffingen geen nieuwe maatregel zijn, maar voortvloeien uit bestaande wetgeving en consequent worden toegepast. Bovendien wordt terecht benadrukt dat de uitzondering uit 2012 – specifiek voor vaartuigen ten behoeve van de Guyana Sugar Corporation – nooit was bedoeld als algemene vrijstelling.

Opvallend is ook dat Suriname al maanden geleden via diplomatieke kanalen contact heeft gezocht, zonder formele reactie van Guyanese zijde. Dat president Ali ervoor kiest om zijn bezorgdheid publiekelijk via sociale media te uiten, draagt niet bij aan een constructieve oplossing. Integendeel, het zet de toon voor publieke druk in plaats van stille diplomatie.

Goed nabuurschap vereist wederzijds respect, maar ook erkenning van elkaars soevereiniteit en rechtsorde. Suriname heeft in deze kwestie een consistent en juridisch onderbouwd standpunt ingenomen. In plaats van dit te framen als een belemmering, zou Guyana er beter aan doen de dialoog langs de geëigende diplomatieke weg voort te zetten. Alleen zo kan de relatie tussen beide landen duurzaam worden versterkt.