In de jaren dertig van de vorige eeuw kampte Suriname met grote werkloosheid en een economische crisis. Tegen die achtergrond werd in 1933 ‘De Rijpere Jeugd’ opgericht, een instelling van het koloniale bestuur waar jongens werden opgevangen en een vak konden leren. Echter, de instelling die tot ver in de jaren zeventig bleef bestaan, kende ook een streng regime met regels en straffen. Schrijfster Etchica Voorn is voor haar nieuwste roman benieuwd naar welke sporen die ervaringen bij de jongens hebben nagelaten is en is op zoek naar die ervaringen en verhalen over ‘De Rijpere Jeugd’.
Tekst Audry Wajwakana
Beeld privécollectie
De aanleiding voor Voorns zoektocht was de ontdekking dat ook haar vader Eugène Ronald Voorn meer bekend als ‘Sjenie’, die in 1996 is overleden, in de instelling heeft gezeten. “Mijn hoofdpunt is dat er nog puzzelstukken ontbreken in het verhaal. Ik mis getuigenissen van mensen uit de jaren vijftig en zestig die in die instelling hebben gezeten en hebben gewerkt. Elk spoor van registratie en archief lijkt te ontbreken over het reilen en zeilen van deze instelling”, verklaart de auteur tegenover de Ware Tijd.
“Ik kende vooral de verhalen dat mijn vader een vechtersbaas was, iemand die nergens voor terugdeinsde en het soms voor anderen opnam”
Voorn, bekend van haar prijswinnende debuutroman ‘Dubbelbloed’, kwam speciaal voor haar onderzoek vier weken naar Suriname. Ze bezocht de voormalige locatie van ‘De Rijpere Jeugd’ aan de Kernkampweg, waar nu de dienst Milieubeheer is gevestigd en ging naar het Nationaal Archief Suriname. Ook sprak ze met mensen die de instelling van dichtbij hebben gekend.
Samen met haar zoon Ruben, die een actieve rol heeft in het onderzoek en haar in een groot deel van haar zoektocht begeleidde, probeerde ze ontbrekende delen van de geschiedenis te reconstrueren. Jaren geleden hoorde zij van haar oudste neef dat haar vader in ‘De Rijpere Jeugd’ had gezeten. “Tot dat moment kende ik vooral de verhalen dat mijn vader een vechtersbaas was, iemand die nergens voor terugdeinsde en het soms voor anderen opnam”, vertelt ze.
Door die ontdekking vroeg ze zich af in hoeverre zijn verblijf in ‘De Rijpere Jeugd’ invloed had op de man die hij later werd. “Of was het een manier voor hem geweest om te overleven?” Die vraag is het vertrekpunt geworden voor haar tweede roman.
Voorn wil daarbij niet te snel een verband leggen tussen het verblijf van haar vader in de instelling en zijn latere gedrag. “Dat vind ik te snel om te concluderen”, stelt ze. Daarom zoekt ze ook naar de ervaringen van andere ‘jongens’ die verbleven in ‘Rijpie’, zoals de instelling in de volksmond werd genoemd.
Doelgroepen
Aan de Kernkampweg staan nog enkele gebouwen van het voormalige complex. Het administratiekantoor en het grote gebouw waarin de slaapzalen waren ondergebracht, zijn er nog. Maar het interieur is veranderd. De timmerwerkplaats en het oude directeursgebouw zijn verdwenen. In 1980 namen de militairen het complex over, waarna de jeugdzorg anders werd ingericht.
Hoe het dagelijkse leven binnen ‘De Rijpere Jeugd’ eruitzag, is voor Voorn nog niet volledig duidelijk. In de stukken die zij heeft geraadpleegd, is weinig te vinden over de manier waarop met de jongens werd omgegaan. Wel waren er verschillende groepen, waaronder een tuchtgroep.
Jongens die mogelijk met justitie in aanraking zouden komen, konden in bepaalde gevallen binnen ‘De Rijpere Jeugd’ worden geplaatst in plaats van strafrechtelijk te worden vervolgd. Ook moesten jongens zwaar werk verrichten, zoals het met de hand breken van stenen voor de aanleg van wegen.
In haar zoektocht sprak Voorn onder anderen met twee mannen die in de jaren zestig in ‘De Rijpere Jeugd’ verbleven. Hun ervaringen verschillen. Eén van hen kijkt dankbaar terug op de instelling. Hij werd door zijn moeder gebracht omdat zij niet voor hem kon zorgen.
De andere jongen kwam uit een moeilijke thuissituatie waarin armoede en mishandeling een rol speelden. Nadat hij door de politie was opgepakt en niet meer naar huis wilde, werd hij in ‘De Rijpere Jeugd’ geplaatst.
De gesprekken brachten ook het bestaan van cellen en een isoleercel aan het licht. Voorn wil daar meer over weten, vooral van iemand die zelf in de isoleercel heeft gezeten. Het vinden van voormalige pupillen is nu een belangrijk onderdeel van haar onderzoek. “De generatie die ik eigenlijk wil hebben, is natuurlijk kleiner aan het worden”, beseft ze.
De auteur zoekt vooral mannen uit de jaren vijftig en zestig die hun herinneringen willen delen. Ook informatie over haar vader is welkom. “Stel je voor dat iemand weet over mijn vader of met hem daar gezeten heeft. Dan is dat meegenomen natuurlijk. Ook ben ik op zoek naar enige vorm van registratie: wie kwamen erbinnen en wanneer vertrokken ze weer.”
(lees verder onder de )
Ruben, de zoon van schrijfster Etchica Voorn, doorzoekt in oude kranten of hij iets over ‘De Rijpere Jeugd’ tegenkomt.
Financiën
Het idee voor het boek ontstond enkele jaren geleden. In december 2019 kwam Voorn naar Suriname om het onderwerp verder te onderzoeken. De zoektocht werd daarna onderbroken, maar kwam eind vorig jaar opnieuw op gang.
Tijdens de presentatie van Tessa Leuwsha’s boek ‘Boni’ in Nederland sprak Voorn met iemand van de uitgeverij Atlas Contact over haar idee voor een tweede roman. Het gesprek leidde tot enthousiasme bij de uitgever en eind vorig jaar werd het contract getekend. Sindsdien werkt Voorn met Atlas Contact.
Voor haar onderzoek is ze aangewezen op schoolvakanties, omdat ze als docent in het MBO werkt. De kosten voor reizen naar en vervoer in Suriname vormden daarbij een praktische uitdaging. Ze schreef fondsen aan en kreeg een ontwikkelbeurs van het Cultuurfonds. Daarmee kon ze haar reiskosten en transport in Suriname betalen.
Bezoek aan Suriname
Tijdens haar recente verblijf begon Voorn samen met haar zoon in de kranten uit 1938 te zoeken, het geboortejaar van haar vader. Het Nationaal Archief Suriname bleek geen stukken over ‘De Rijpere Jeugd’ te hebben die voor haar onderzoek bruikbaar waren. Daarom bekeken ze oude kranten, bladzijde voor bladzijde, om het tijdsbeeld waarin haar vader opgroeide beter te begrijpen.
“Ook ben ik op zoek naar enige vorm van registratie: wie kwamen erbinnen en wanneer vertrokken ze weer”
Voor het schrijven van de roman heeft Voorn twee jaar gekregen. Ze hoopt het boek in 2028 uit te brengen. Tot die tijd blijft ze zoeken naar de ontbrekende verhalen. Vooral mannen die in de jaren vijftig en zestig in de instellking hebben verbleven, kunnen voor haar onderzoek nieuwe puzzelstukken opleveren.
Ook de leiders die er werkten zijn belangrijke bronnen. “Ik ben dus nu eigenlijk aan het verzamelen”, zegt ze lachend tot besluit.
Schrijfster Etchica Voorn (l) en haar zoon Ruben op de eerste dag van hun onderzoekstraject in Suriname.
- Australisch voetbalteam moet vlak voor wedstrijd hotel uit..
- Vertraging uitslagen VO leerjaar 10..
- Viraal Talent Herkent Vogelgeluiden..
- Anne Marie Wehl krijgt leiding over IOL; Raad van Toezicht …..
- Rusland wil vóór oktober extra lokalen voor school in Reebe…..
- Revelino Eijk wint met overmacht verkiezing Surinaamse Poli…..
- Parmessar: Cryptosector reguleren, maar kleine ondernemers …..
- Chaos binnen de Raad van Commissarissen bij SLM..
- Nieuwe nationale medicamentenklapper moet geneesmiddelenvoo…..
- VERVAL ALOM..