Rechter wijst vorderingen Karin Refos af

De kantonrechter heeft uitspraak gedaan in het door Karin Refos en haar bedrijf Stascaribe Management N.V. aangespannen kort geding tegen de staat Suriname en de functionarissen Imro Smith en Philip Dikland van de Commissie Monumentenzorg (CMZ). De rechter heeft alle vorderingen van Refos en haar bedrijf afgewezen en hen veroordeeld tot betaling van de proceskosten van de gedaagden. Deze veroordeling is uitvoerbaar bij voorraad. Ook na deze rechtszaak blijft de kern overeind: het betreffende monumentale pand ( Nassylaan 43) is in strijd met de Monumentenwet 2002 gesloopt. De rechter stelt vast dat Refos en haar bedrijf waarvan ze de directeur is, sinds 2013 op de hoogte zijn van de monumentale status van het pand, zoals blijkt uit correspondentie met het Ministerie van Onderwijs, Wetenschap en Cultuur (MinOWC). De bewering van Refos dat zij hiervan niet op de hoogte was, acht de rechter ongeloofwaardig.
Illegale sloop staat vast
Over de feitelijke gang van zaken bestaat er volgens de rechter geen twijfel. Vast staat volgens de rechter dat het monumentale pand is gesloopt zonder de wettelijk vereiste toestemming van de daartoe bevoegde autoriteiten. Ook tijdens de behandeling van het kort geding is de sloop onverminderd voortgezet, hetgeen de onomkeerbaarheid van de schade aan het monumentale erfgoed heeft vergroot. Daarmee is gehandeld in strijd met de Monumentenwet 2002 en het beschermingsregime voor het historisch stadsgebied en de bijbehorende bufferzones.
Tijdens het proces is gebleken dat de Commissie Monumentenzorg steeds heeft gehandeld binnen haar wettelijke bevoegdheden en op basis van haar verantwoordelijkheid om het cultureel erfgoed van Suriname te beschermen. De communicatie vanuit de CMZ richting Refos was gebaseerd op de Monumentenwet 2002 en instructies en bevoegdheden voortvloeiend uit die wet. De rechter heeft daarom geen aanleiding gezien om dit handelen van de commissie onrechtmatig te achten en wees daarom de vorderingen af om het ministerie en de CMZ te verbieden om tegen Refos en haar bedrijf op te treden.
De sloop
De sloop van het pand is aangevangen op een zeer ongebruikelijke dag in de week, namelijk op zondag 1 juni 2025, kennelijk omdat overheidscontrole in het weekend beperkt is. Oplettende voorbijgangers sloegen alarm, waarna de Commissie Monumentenzorg met assistentie van de politie, de sloop heeft stopgezet. Bij brief van 3 juni 2025 heeft de minister van MinOWC Refos aangemaand, het monument onverwijld in de oorspronkelijke staat te herstellen. De sloop was illegaal, aangezien hiervoor geen vergunning was verleend. Desondanks werd de sloop op de volgende dag voortgezet, waarna de werkzaamheden opnieuw door de sterke arm zijn stilgelegd.
Op 20 juni kreeg deze kwestie in het openbaar een andere wending, toen de eigenares en haar advocaat in een nieuwsbericht op Starnieuws onder de kop ‘Pand Nassylaan is geen monumentaal gebouw’, de beschermde status van het monument ter discussie stelden. Daarbij werd aangevoerd dat het MI-GLIS geen aantekening had opgenomen in het openbare register omtrent de beschermde status, terwijl een dergelijke registratie uitsluitend dient ter algemene kennisgeving. Echter, er werd daarbij voorbijgegaan aan het feit dat een omissie in het openbare register geen afbreuk doet aan de beschermde status van een monument, aangezien de aanwijzing als beschermd monument plaatsvindt bij ministeriële beschikking van MinOWC, hetgeen in dit geval ook heeft plaatsgevonden. Dat de aantekening over de status van het pand ontbreekt in het register, doet volgens de rechter niet af aan de rechtsgeldigheid van de beschikking.
Het betreffende nieuwsbericht op Starnieuws bleek achteraf de voorbode te zijn van de volledige sloop van het monument. Kort daarna werd zwaar materieel ingezet om het pand volledig met de grond gelijk te maken. Deze sloop vond plaats zonder inachtneming van de geldende wettelijke procedures, ondanks een schriftelijke aanmaning van de minister en zonder acht te slaan op het gezag van de rechter. Refos en haar bedrijf vorderden bij de rechter onder meer dat MinOWC zou worden verboden haar te storen in het genot van haar volle eigendomsrecht, op straffe van een dwangsom van SRD 100.000 voor iedere overtreding van dit verbod. Ter voorkoming dat het ministerie en de CMZ zouden worden beperkt in de uitoefening van hun wettelijke taak op grond van de Monumentenwet, heeft de rechter deze vordering afgewezen.
Daarnaast vorderde zij dat Imro Smith en Philip Dikland in privé zich publiekelijk zouden verontschuldigen via Starnieuws en DWT, op straffe van een dwangsom van SRD 50.000 per uur indien zij daaraan geen gehoor zouden geven. Deze vordering werd gebaseerd op het gegeven dat de Commissie Monumentenzorg publiekelijk melding had gemaakt van de illegale sloop, hetgeen volgens Refos tot imagoschade voor haar zou hebben geleid. Daarmee ging zij voorbij aan het causale verband tussen haar eigen handelen bij de vernietiging van beschermd nationaal erfgoed en de daaropvolgende maatschappelijke kritiek op haar. Volgens de rechter blijkt uit de persverklaringen van de CMZ niet dat onjuiste of misleidende informatie over Refos en haar bedrijf is gepubliceerd. Evenmin is volgens de rechter gebleken dat de commissie met de uitgave van de persverklaringen buiten het kader van haar wettelijke taak heeft gehandeld. De rechter oordeelde dat de publicaties niet onrechtmatig zijn. Vastgesteld werd dat de persverklaringen zijn uitgegeven door de CMZ en niet door individuele personen in privé, reden waarom Refos niet ontvankelijk werd verklaard in haar vorderingen tegen Smith en Dikland in privé.
Strafrechterlijke vervolging
De Commissie Monumentenzorg heeft sinds 2 juni 2025 namens het ministerie aangifte gedaan bij de politie van deze illegale sloop. Refos verzocht de rechter om het ministerie te verplichten de CMZ op te dragen, de aangifte bij de politie binnen 24 uur na de uitspraak in te trekken. Ook deze vordering is door de rechter afgewezen, omdat Refos en haar bedrijf ook ten aanzien van dit onderdeel niet-ontvankelijk zijn verklaard. Zelfs een brief van de advocaat van Refos aan de procureur-generaal, waarin werd verzocht het commissielid dat aangifte had gedaan strafrechtelijk te vervolgen wegens vermeende valse aangifte, heeft geen gevolg gekregen, nadat de CMZ de ministeriële beschikking had overgelegd waaruit ondubbelzinnig is gebleken dat het pand een beschermd monument betreft.
Nu wordt verwacht dat het Openbaar Ministerie dat in verband met de rechtszaak een afwachtende houding had aangenomen, de aangifte verder beoordeelt en, indien daartoe aanleiding bestaat, overgaat tot strafrechtelijke vervolging van de verantwoordelijken voor de illegale sloop. Het moedwillig slopen van een wettelijk beschermd monument is een ernstige overtreding omdat het een aanslag vormt op het nationaal erfgoed. Volgens het proces-verbaal van de Politie levert deze sloop voorts een overtreding op van de  artikelen 222 en 223 van het Wetboek van Strafrecht. De CMZ heeft de sloop volledig gedocumenteerd met foto- en videomateriaal, waarbij personen, voertuigen (met kenteken) en zwaar materieel zijn vastgelegd. Dit materiaal kan van cruciaal belang zijn voor het strafrechtelijk onderzoek. In de procedure betoogden Refos en haar advocaat dat de sloop door zogenoemde onverlaten zou zijn uitgevoerd.   Tijdens de behandeling van deze zaak bij de rechter is tevens gebleken dat het betreffende perceel inmiddels is verkocht. Op grond van de geldende regelgeving rust op de nieuwe eigenaar de verplichting om het pand in de oorspronkelijke staat te herstellen, conform de voorschriften die gelden voor beschermde monumenten. Foto’s en bouwtekeningen van het pand zijn in het archief veiliggesteld en beschikbaar voor de nieuwe eigenaar.
Alle overige vorderingen, waaronder de vordering om Smith en Dikland in privé te veroordelen tot betaling van de advocaatkosten van Refos ten bedrage van SRD 40.000, zijn door de rechter afgewezen.
Erfgoedwaarde
Hoewel het pand bescheiden van omvang was, stond het op de monumentenlijst vanwege zijn erfgoedwaarde en zijn ligging binnen de bufferzone van de historische binnenstad van Paramaribo, die de status van UNESCO-Werelderfgoed geniet. Met de sloop van het pand aan de Dr. J.F. Nassylaan 43, is niet alleen een houten gebouw verdwenen, maar ook een tastbare herinnering aan de stedelijke ontwikkeling van Paramaribo. De geschiedenis van het perceel reikt terug tot de achttiende eeuw en is verbonden met de tijd van vrije creoolse vrouwen, vroeg stedelijk grondgebruik en de opbouw van een multiculturele samenleving. Het pand betrof een beeldbepalend erfgoedobject met authentieke architectonische kenmerken, waaronder originele houten gevels, sierlijsten en karakteristieke bouwdetails die typerend zijn voor de creoolse koloniale bouwstijl uit het begin van de twintigste eeuw. Onder monumentennummer BPO 114 is het pand bij beschikking Ag. 464/11 in 2011 formeel aangewezen door het ministerie van Onderwijs, Wetenschap en Cultuur als beschermd monument.
The post Rechter wijst vorderingen Karin Refos af ..