Tekst en beeld Ivan Cairo
PARAMARIBO — De opmars van kunstmatige intelligentie (AI) zal naar verwachting voorlopig niet leiden tot een massaal verlies van arbeidsplaatsen in Suriname. Daarvoor is de lokale arbeidsmarkt te klein, telt het land relatief weinig grote ondernemingen en loopt de toepassing van nieuwe technologie in veel sectoren nog achter. Dat stelt Armand Zunder, voorzitter van de Progressieve Werknemersorganisatie (PWO), in gesprek met de Ware Tijd.
Hij ziet daarom op korte termijn geen reden om te vrezen voor een ontwikkeling waarbij grote groepen werknemers door AI worden vervangen. Vooral bij grote ondernemingen, waaronder mijnbouwbedrijven, worden automatisering en waar mogelijk AI-toepassingen steeds belangrijker. Echter, het aantal bedrijven in Suriname dat op grote schaal in dergelijke technologie kan investeren, is volgens hem beperkt.
“Je kan de Surinaamse arbeidsmarkt niet vergelijken met grote arbeidsmarkten waar je bedrijven hebt met twaalfduizend en soms tot zelfs vijftigduizend medewerkers“
Kleine arbeidsmarkt
De vakbondsleider zegt dat binnen de vakbeweging wel degelijk wordt nagedacht over de gevolgen van AI en andere technologische ontwikkelingen voor werknemers. Het onderwerp kwam maandag ook aan de orde tijdens een vergadering van de Raad van Vakcentrales in Suriname (Ravaksur), waarbij werd gesproken met “iemand die veel kennis heeft van deze materie”.
De PWO-voorzitter noemt als belangrijk verschil met grotere economieën de omvang en samenstelling van de Surinaamse arbeidsmarkt. Hij schat dat deze ongeveer 255.000 tot 260.000 mensen omvat. Ongeveer vijftigduizend van hen werken bij de overheid en circa tweehonderdduizen zitten in de particuliere sector.
Zunder denkt dat er binnen de particuliere sector slechts enkele zeer grote bedrijven, multinationals, staatsbedrijven zoals Staatsolie en handelsondernemingen met meer dan duizend werknemers zijn. Dat maakt de situatie wezenlijk anders dan in grotere economieën, waar afzonderlijke bedrijven soms tienduizenden werknemers tellen. “Je kan de Surinaamse arbeidsmarkt in de eerste plaats niet vergelijken met grote arbeidsmarkten waar je bedrijven hebt met twaalfduizend en soms tot zelfs vijftigduizend medewerkers. Dat is in ons geval echt niet het geval”, benadrukt Zunder.
Bovendien bestaat mogelijk 60 tot 65 procent van de Surinaamse bedrijven uit kleine en middelgrote ondernemingen, waarbij micro- en kleine bedrijven een belangrijk aandeel vormen. Juist deze ondernemingen beschikken doorgaans niet over de middelen of hebben niet de noodzaak om snel en op grote schaal in geavanceerde technologie en AI te investeren. “Die bedrijven gaan in de eerste plaats niet investeren in technologie. Ze doen het in de meeste gevallen op de manier waarop ze het altijd hebben gedaan”, aldus de PWO-voorzitter. Een uitzondering kunnen ondernemingen zijn die exporteren en daardoor aan internationale eisen moeten voldoen.
Technologische achterstand
Zunder illustreert de relatief trage invoering van technologie met een alledaags voorbeeld. Hij woont in district Commewijne en ziet ’s avonds mensen die zand van de Wijdenboschbrug vegen. Tijdens zijn studententijd in Amsterdam, tientallen jaren geleden, zag hij bezemwagens met grote borstels die voor dergelijke schoonmaakwerkzaamheden werden ingezet. “Bij ons, veertig jaar daarna, heb je dat niet eens”, stelt hij.
Het voorbeeld onderstreept dat Suriname bij de introductie van technologie in algemene zin achterloopt. Daar staat tegenover dat grotere bedrijven wel voortdurend bezig zijn met modernisering. “Zeker de mijnbouwbedrijven zijn continu in een proces van automatisering en waar mogelijk ook AI-toepassingen.” Echter, omdat Suriname maar een beperkt aantal grote ondernemingen telt, verwacht hij niet dat dit op korte termijn tot een brede verdringing van werknemers zal leiden.
Ook de schaal waarop ondernemingen in Suriname personeel in dienst hebben, speelt volgens hem een rol. Zunder zegt zich geen Surinaams bedrijf te kunnen herinneren dat ooit meer dan tienduizend werknemers telde. Suralco behoorde op zijn hoogtepunt waarschijnlijk tot de grootste werkgevers, met naar schatting rond de 5.000 werknemers. Tegen het einde van de bauxietactiviteiten zou het personeelsbestand aanzienlijk kleiner zijn geweest.
Voorbereiden op mogelijke gevolgen
Hoewel Zunder geen massaal banenverlies door AI voorziet, vindt hij dat er wel moet worden nagedacht over de gevolgen indien technologische ontwikkelingen in de toekomst toch grote groepen werknemers overbodig zouden maken. In zo’n situatie zou volgens hem een gegarandeerd minimuminkomen onderdeel van het beleid moeten worden. “De inkomenspolitiek moet dan van dien aard zijn dat je mensen een inkomen garandeert.”
Maar inkomensondersteuning alleen zou volgens Zunder onvoldoende zijn. Werknemers die door technologische veranderingen hun baan verliezen, zouden voortdurend mogelijkheden moeten krijgen om zich om te scholen en nieuwe vaardigheden te ontwikkelen. Daarmee kunnen zij worden voorbereid op sectoren waar nog wel behoefte aan fysieke arbeidskrachten bestaat. Daarnaast noemt hij recreatie en andere vormen van maatschappelijke participatie belangrijk wanneer mensen gedurende langere tijd buiten het arbeidsproces komen te staan.