Probleem mobiele telefoons

HET MINISTERIE VAN Onderwijs, Wetenschap en Cultuur slaat de plank volledig mis met de voorgestelde aanpak van het mobiele-telefoonprobleem op onze scholen. Terwijl de realiteit schreeuwt om gedurfde daadkracht, kiest minister Dirk Currie voor een geïmporteerde poldermentaliteit, oftewel de typisch Nederlandse cultuur van samenwerken, overleggen en compromissen sluiten. Deze halfslachtige, bureaucratische poging om een diepgewortelde crisis te sussen, is gedoemd te mislukken.

De aanleiding voor de discussie in De Nationale Assemblee is schokkend: een incident waarbij scholieren technologie misbruikten voor het produceren van pornografisch materiaal. De minister stelt terecht dat het simpelweg ‘afschrijven’ en buiten het systeem plaatsen van deze ontspoorde jongeren het probleem niet oplost. Binnen de Surinaamse gemeenschap, waar het sociale vangnet al onder zware druk staat, hebben deze tieners psychologische begeleiding en heropvoeding nodig. Maar de conclusie die de bewindsman vervolgens trekt voor het reguliere onderwijs, is pijnlijk naïef.

In plaats van een onvoorwaardelijk, landelijk verbod op smartphones in de klas komt het ministerie met het idee om leerlingen te ‘betrekken bij afspraken’. “Laten we niet doen alsof die kinderen geen verstand hebben”, aldus Currie. Dit getuigt van blindheid voor de dagelijkse realiteit op onze scholen en is tekenend voor de gebrekkige kennis die Currie heeft van het onderwijsveld en vooral van datgene wat de leerlingen bezighoudt. Veel ouders zijn de wanhoop voorbij omdat hun kroost steeds vaker onacceptabel gedrag vertoont of omdat hun kind vrijwel dagelijks wordt geconfronteerd met geweld op het schoolterrein.

Leerkrachten vechten al dagelijks tegen overvolle klassen, een gebrek aan leermiddelen en de sociaaleconomische stress die vanuit de thuissituatie de klas in sijpelt. Het handhaven van de orde en het beschermen van de Surinaamse jeugd tegen cyberpesten en moreel verval zijn taken van de autoriteiten. Die behoren daartegen op te treden en er geen onderwerp van te maken voor een vrijblijvend ‘poldergesprek’ met minderjarigen.

Bovendien is het argument dat we de smartphone moeten gedogen omdat digitalisering het leerkrachtentekort moet opvangen, een gevaarlijke drogreden. Een gecontroleerde computerruimte voor onderwijsdoeleinden is iets wezenlijk anders dan een smartphone met onbeperkte toegang tot TikTok en een camera onder de schoolbank.

Met zijn vage suggesties schuift het ministerie de hete aardappel door naar de toch al overbelaste schooldirecteuren. Wat we nu nodig hebben, is geen slap protocol van een minister die het eigenlijk ook niet weet, maar ouderwets gezag en duidelijke kaders. De smartphone gaat uit of de tas in zodra de schoolbel luidt. Zolang het ministerie blijft polderen met pubers, blijft de klasruimte een speelbal van de digitale chaos. Onze jeugd verdient duidelijke grenzen en ons land verdient vooral ministers die durven door te pakken.