“Kijken over wiens ruggen die rijkdom werd verdiend”
Nederlandse banken en hun historische banden met slavernij zijn de afgelopen jaren onderwerp geweest van talrijke onderzoeken. Die studies hebben belangrijke inzichten opgeleverd over de herkomst van kapitaal en de rol van financiële instellingen in het koloniale verleden. “Het is belangrijk om te weten waar het geld vandaan kwam. Maar we kunnen de geschiedenis ook op zijn kop zetten door te kijken naar de mensen die het geld daadwerkelijk creëerden en over wiens ruggen die rijkdom werd verdiend.” Dit zegt Pepijn Trienekens, promovendus aan de Radboud Universiteit in Nederland en het Internationaal Instituut voor Sociale Geschiedenis. Dit perspectief staat centraal in zijn onderzoek naar verzet en controle op plantages van Insinger & Co., een negentiende eeuwse Nederlandse handels- en bankiersfirma waarvan de huidige private bank InsingerGilissen een ‘nazaat’ is.
Tekst en beeld Audry Wajwakana
Trienekens heeft afgelopen dinsdag in de Bibliotheek van de Anton de Kom Universiteit zijn onderzoeksresultaat naar verzet en controle op plantages van de firma in Suriname en Oost-Java (1815-1950) gepresenteerd. Daarbij richt hij zich onder meer op het verzet op de plantages Wederzorg en Zeezigt in Commewijne, die onder invloed van de firma stonden. Een van de meeste sprekende voorbeelden die hij aanhaalt, is een opstand van Hindostaanse contractarbeiders op cacaoplantage Wederzorg aan het einde van de negentiende eeuw.
“Door te staken, collectief op te trekken en hun contracten als juridische basis voor hun eisen te gebruiken, maakten zij duidelijk niet bereid te zijn passief toe te kijken hoe hun arbeidsvoorwaarden werden uitgehold”
In maart 1893 kwam daar vrijwel de volledige groep van 125 Hindostaanse contractarbeiders in opstand tegen het zogenaamde taakwerk. Het verzet begon op 14 maart. Twee dagen later stapten de arbeiders naar de administrateur met de eis dat alle gewerkte dagen volledig zouden worden uitbetaald. Zo niet, dan zouden zij collectief het werk neerleggen.
Toen op 18 maart, de dag van de uitbetaling bleek dat zij voor hun arbeid tussen de acht en twintig cent ontvingen, terwijl volgens het contract zestig cent voor mannen en veertig cent voor vrouwen was toegezegd, eisten zij volledige uitbetaling. De koloniale autoriteiten reageerden met repressie. De marechaussee werd naar de plantage gestuurd. Arrestaties werden voorbereid en de districtscommissaris werd ingeschakeld. Toch hielden de arbeiders voet bij stuk. Ze legden het werk neer, verlieten collectief de plantage en beriepen zich op hun contracten.
Harde aanpak
Voor Trienekens toont dit niet alleen de bereidheid van de contractarbeiders om zich gezamenlijk tegen onrecht te verzetten, maar ook hun vermogen om zich te organiseren en verschillende strategieën in te zetten. Door te staken, collectief op te trekken en hun contracten als juridische basis voor hun eisen te gebruiken, maakten zij duidelijk dat zij niet bereid waren passief toe te kijken hoe hun arbeidsvoorwaarden werden uitgehold.
Tegelijkertijd maakt de gebeurtenis in Wederzorg zichtbaar hoe de koloniale staat en plantage-eigenaren probeerden dat verzet te breken. In de archieven stuitte Trienekens op de naam Ganesing, een van de woordvoerders van de stakende arbeiders. Hij hield de districtscommissaris en agent-generaal het contract voor zoals die in Calcutta was afgesloten, en waarin staat dat het ging om dag- en niet om taakwerk.
De autoriteiten vertrokken, maar keerden de volgende dag terug met wat volgens hen het door Ganesing ondertekende contract was. Op last van de agent-generaal en de districtscommissaris moest hij het document hardop voorlezen in een poging het protest te breken. Het protest hield echter stand.
De arbeiders bleven aandringen op volledige uitbetaling en verlichting van het zware wiedwerk. Uiteindelijk werden zestien mensen veroordeeld en werd Ganesing door de koloniale overheid als aanstichter aangewezen en op 23 maart ging men weer aan het werk. Politieoptreden, intimidatie, juridische vervolging en het aanwijzen van vermeende leiders waren volgens Trienekens terugkerende instrumenten van controle.
Mensen als onderpand
Het onderzoek werpt ook nieuw licht op de rol van Nederlandse financiële instellingen in het koloniale systeem. Wederzorg stond in de boekhouding als de NV Cultuurmaatschappij Wederzorg en was een dochteronderneming van Insinger & Co. Ondernemingen als Insinger & Co. waren veel meer dan passieve financiers. Zo verstrekten financiële instellingen tijdens de koloniale periode zogenoemde negotiaties.
Dit zijn hypotheekleningen waarbij plantages én de tot slaaf gemaakte bevolking als onderpand dienden. Via deze constructies raakte het bedrijf betrokken bij tientallen Surinaamse plantages. Wanneer eigenaren hun schulden niet konden aflossen, kwamen plantages regelmatig direct onder beheer of eigendom van de financiers terecht.
“Deze mensen stonden niet op grote afstand van wat gebeurde. Uit de correspondentie blijkt dat zij goed op de hoogte waren van misstanden, conflicten en vormen van verzet op de plantages”, stelt Trienekens. De belangen van kapitaal en koloniale uitbuiting waren nauw met elkaar verweven. Niet alleen verdienden de financiers aan slavernij en contractarbeid; zij oefenden ook invloed uit op het koloniale beleid en lobbyden voor maatregelen die hun economische belangen beschermden.
“Opvallend daarbij is dat vrouwen een prominente rol speelden in dit collectieve verzet, een patroon dat hij ook in andere bronnen regelmatig tegenkomt”
Vrouwen in verzet
Ook op plantage Zeezigt stuitten de plannen van Insinger & Co. op verzet. In 1861 dienden achttien tot slaaf gemaakte vrouwen een klacht in tegen hun voorgenomen overplaatsing naar de suikerplantage Kronenburg. Volgens Trienekens wilden de Insingers in die periode hun tot slaaf gemaakte bevolking concentreren om kosten te besparen en de productie efficiënter te maken.
De vrouwen verzetten zich tegen de gedwongen verhuizing en wezen onder meer op de slechte staat van de woningen in Kronenburg. Zij vreesden dat de huizen bij hoogwater onder zouden lopen. Dat deze bezwaren werden geuit, laat volgens Trienekens zien hoe kennis over de omstandigheden op andere plantages zich onder de tot slaaf gemaakte bevolking verspreidde.
Eerdere inspecties hadden de gebrekkige huisvesting op Kronenburg al aan het licht gebracht. De vrouwen werden uiteindelijk zonder straf teruggestuurd. Volgens Trienekens gebeurde dat omdat de autoriteiten zich bewust waren van de grote onvrede op Zeezigt over de voorgenomen verhuizing.
De klachten vormden bovendien een voorbode van een grotere opstand die later datzelfde jaar op de plantage zou uitbreken. Opvallend daarbij is dat vrouwen een prominente rol speelden in dit collectieve verzet, een patroon dat hij ook in andere bronnen regelmatig tegenkomt.
Een belangrijk onderdeel van Trienekens’ onderzoek is de overgang van slavernij naar contractarbeid na de afschaffing van de slavernij in 1863. Hoewel de juridische status veranderde, bleven veel vormen van dwang, controle en uitbuiting bestaan. Juist in deze periode ziet hij talrijke voorbeelden van verzet.
Op de plantages die hij onderzoekt vond hij tientallen incidenten, variërend van collectieve klachten en werkweigeringen tot sabotage van gewassen. Volgens Trienekens laat dat zien dat de geschiedenis van emancipatie niet alleen gaat over wetten en bestuurlijke besluiten, maar ook over voortdurende strijd van arbeiders zelf. “Verzet is niet alleen een grote opstand. Het kan ook gaan om stakingen, klachten, sabotage of kleine dagelijkse handelingen waarmee mensen probeerden hun omstandigheden te verbeteren”, zegt hij.
Financiering
Het onderzoek van Trienekens naar de plantages van Insinger & Co. wordt gefinancierd door InsingerGilissen, de hedendaagse opvolger van de historische bankiersfirma. Trienekens maakte bekend dat de bankinstelling zijn onderzoek financiert. “Ik word niet direct door hun betaald, maar via een instituut voor sociale geschiedenis. Zij hebben een pot gekregen en daaruit word ik betaald”, verduidelijkt hij toen daarover een vraag werd gesteld.
De onderzoeker plaatst zijn werk nadrukkelijk binnen een bredere ontwikkeling in de geschiedschrijving. Waar onderzoek naar slavernij lange tijd draaide om plantagehouders, bestuurders en financiers, groeit de aandacht voor de ervaringen van de mensen die onder deze systemen leefden en werkten. Dat betekent niet dat onderzoek naar banken of kapitaal onbelangrijk is, benadrukt hij. Integendeel. “Het draait uiteindelijk niet om de namen van bankiers of ondernemers. Het gaat om de mensen op de plantages. Hun verhalen verdienen een centrale plaats in onze geschiedschrijving.”
- Column: Wie bestuurt de Van ’t Hogerhuysstraat?..
- Parmessar: Begroting 2026 is brug tussen crisis en economis…..
- Derde helft WK 2026: Iran-Nieuw-Zeeland 2-2, buiten speelde…..
- Minister Wijnerman: ‘Focus ligt nu op economisch beheer en …..
- WK 2026 Special – Iran en Nieuw-Zeeland delen de punten na …..
- Centrale Bank heeft KKV-gelden verwerkt..
- CBvS wil burgers beter voorbereiden op digitale financiële …..
- 1-jarige jongen verdrinkt in emmer met water op Laarwijk..
- WK 2026 Special – DE DEELNEMERS (4)..
- Tweede Nieuw Aurora Festival weer met cultuur, muziek, spor…..
- Derde helft WK 2026: Saudi-Arabië verrast, Uruguay knokt zi…..
- WK 2026 Special – Held Al-Owais houdt Uruguay van zege af..
- VN waarschuwen Suriname voor institutionele uitdagingen bij…..
- Barbados ziet gigantisch olie- en gaspotentieel in offshore…..
- Stichting Wan Okasi eert Kramp en Van Daal voor bijdrage aa…..
- Bromfietser in het ziekenhuis overleden, na betrokken te zi…..
- Masterclass waarschuwt: olie-inkomsten alleen garanderen ge…..
- Masterclass ‘Van talent naar topniveau’: Goedhart deelt pro…..
- WK 2026 Special – Minder buitenlandse fans en vervoersprobl…..
- Derde helft WK 2026: België en Egypte niet verder dan een g…..
- WK 2026 Special – Egypte verrast België en pakt punt in ope…..