Oud-minister Assen: Nederlands onderzoeksrapport 1980-coup is poging tot geschiedvervalsing

PARAMARIBO — “Een onderzoek geschikt voor de prullenmand”. Zo reageert de oud-minister van Planning en Ontwikkelingssamenwerking (1993-1996) en Defensie (2000-2005), Ronald Assen, op het Haagse onderzoeksrapport waarin wordt geconcludeerd dat de Nederlandse militaire missie in Suriname destijds niet betrokken was bij de succesvolle staatsgreep van sergeant-majoor Desi Bouterse op 25 februari 1980. In een felle reactie bestempelt de oud-bewindvoerder de conclusies van het rapport als een “ernstige poging tot geschiedvervalsing” en “historisch bedrog.”

Op 24 december vorig jaar publiceerde de Ware Tijd de belangrijkste bevindingen van het Nederlandse onderzoek. De kernconclusie luidde dat er geen aanwijzingen zijn dat de Nederlandse kolonel Hans Valk of andere Nederlandse militairen hebben meegewerkt aan de voorbereiding of uitvoering van de staatsgreep. Volgens het rapport wist Valk, die toen de militaire attaché in Paramaribo was, niet dat de coup zou plaatsvinden, al wordt wel toegegeven dat Nederland steken heeft laten vallen op het gebied van toezicht en informatiebeheer.

Versnipperd in prullenmand

Volgens Assen is het rapport, dat blijkbaar al in 1984 werd afgerond, volstrekt ongeloofwaardig. Hij wijst erop dat kolonel Valk zelf al in december 1982, kort na de traumatische Decembermoorden, uitgebreide informatie heeft verstrekt aan het weekblad Vrij Nederland. Daarin werd juist wel melding gemaakt van de betrokkenheid van de Nederlandse militaire missie bij de voorbereiding en uitvoering van de staatsgreep. Ook verwijst de oud-minister naar andere nieuwsverslagen in onder andere het dagblad De West. Assen stelt dat de opstellers van het rapport “zich diep moeten schamen” en noemt het document een “prul dat versnipperd in de prullenmand thuishoort.”

Assen stelt dat de opstellers van het rapport ‘zich diep moeten schamen’ en noemt het document een ‘prul dat versnipperd in de prullenmand thuishoort’.

Manipulatie archieven

De oud-minister stelt dat het uitgevoerde onderzoek zich te eenzijdig heeft geconcentreerd op archieven en diplomatieke documenten. Volgens hem is dat een fundamentele beperking, omdat hogere Nederlandse militairen bij gevoelige operaties vanzelfsprekend geen “eenvoudige sporen” zouden nalaten in officiële stukken. Hij wijst er bovendien op dat uit het rapport zelf blijkt dat juist die archieven en documenten waarop het onderzoek steunt, op meerdere punten onbetrouwbaar zijn. Zo zijn interne verslagen van de Landmacht Inlichtingendienst deels zoekgeraakt of slechts onvolledig doorgestuurd. Daarnaast zijn passages uit documenten verwijderd voordat ze in Den Haag aankwamen, en bleken diplomatieke berichten uit Paramaribo achteraf niet volledig te zijn.

Volgens Assen is deze vorm van archiefmanipulatie vanuit Nederlands perspectief begrijpelijk, omdat de internationale reputatie van het land op het spel stond. Nederland zou immers binnen vijf jaar na de onafhankelijkheid van Suriname in 1975 hebben meegewerkt aan een staatsgreep tegen een wettig gekozen regering. Vervolgens zou het land binnen twee jaar elke feitelijke controle over de coupplegers zijn kwijtgeraakt. Een dergelijke gang van zaken zou internationaal moeilijk te verantwoorden zijn geweest.Spanningen en signalenIn zijn betoog noemt Assen daarnaast verschillende feiten en omstandigheden die volgens hem in de Nederlandse rapportage ontbreken, maar wel van belang zijn voor het begrijpen van de context waarin de staatsgreep plaatsvond. Zo wijst hij op een economische patstelling binnen de Commissie Ontwikkelingssamenwerking Nederland/Suriname (Cons), waar grote spanningen heersten. Suriname wilde inzetten op grootschalige projecten, zoals het West-Surinameproject, terwijl Nederland deze plannen beschouwde als een verspilling van belastinggeld. De meningsverschillen liepen soms zo hoog op dat het Surinaamse commissielid Karamat-Ali tijdens een bijeenkomst bijna op de vuist ging met een Nederlands lid van de commissie.

Volgens Assen is deze vorm van archiefmanipulatie vanuit Nederlands perspectief begrijpelijk, omdat de internationale reputatie van het land op het spel stond.

Assen stelt ook dat sprake was van ondermijning van het Surinaamse gezag. Nederlandse Cons-leden zouden buiten de officiële vergaderingen om gezagsondermijnende uitspraken hebben gedaan over projecten, gericht aan of over toenmalig premier Henck Arron. Verder noemt Assen directe aanwijzingen van verdacht gedrag binnen de Nederlandse militaire missie. Hij verwijst naar concrete voorbeelden. Assen: “Kolonel Valk had stafmedewerkers; het aantal is mij onbekend. Een van hen gaf aan zijn secretaresse – een dochter van een in 1979 overleden Statenlid – aan hoe te handelen de volgende morgen als zij op een nacht schoten heeft gehoord.” De oud-minister vervolgt: “Een andere medewerker was met een Surinaamse gehuwd. Kinderen van dit gezin zien nog als de dag van gisteren de gecamoufleerde gezichten van Surinaamse militairen die hun vader bezochten”. Dit duidt volgens Assen op ongebruikelijke en verontrustende contacten.

Oproep aan Surinaamse historici

De oud-bewindsman concludeert dat het niet ongebruikelijk is dat nationale coupplegers zwijgen over externe hulp; hij trekt daarbij parallellen met Pinochet in Chili en Soeharto in Indonesië, die beweerden zelfstandig te hebben gehandeld. “Onze Bouterse is niet verder gekomen dan de uitspraak dat Nederland van hem een Soeharto wilde maken, maar dat hij een Soekarno gebleken is”, stelt hij. Assen doet een dringende oproep aan Surinaamse historici om deze episode zelfstandig te onderzoeken en vast te leggen. “Een volk dat zijn ware geschiedenis niet kent, is gedoemd die te herhalen!” aldus de oud-minister.