Het is weer zover. De loonstrook van een Assembleelid circuleert, het bedrag is luid, en het morele kompas van het land begint collectief te piepen. Bijna SRD 95.000 netto per maand. Niet uit de lucht gegrepen, niet gestolen in het holst van de nacht, maar keurig voortvloeiend uit een wet. Een wet die plotseling “wrang” heet, nu zij zichtbaar wordt.
De discussie is voorspelbaar en eindeloos. Politici spreken schande, burgers zijn verontwaardigd, en iedereen wil “herzien”. Tegelijkertijd is de kans dat iemand het daadwerkelijk terugdraait verwaarloosbaar. Want wetten zijn flexibel zolang ze andermans geld raken. Zodra het eigen salaris in het geding komt, wordt hervorming een theoretisch begrip.
Ironisch genoeg is deze salaris constructie niet spontaan ontstaan. Ze werd aangenomen door een vorig parlement en bekrachtigd door een voormalige president. Toen was het stil.
Geen protesten, geen talkshows, geen morele verontwaardiging. Pas nu het bedrag zwart op wit verschijnt, lijkt men te ontdekken dat het om gemeenschapsgeld gaat.
Het argument dat DNA-leden “beroepsmatig” deze bedragen niet waard zijn, snijdt inhoudelijk hout, maar komt rijkelijk laat. Sommige toelagen passen eerder bij welgestelden dan bij volksvertegenwoordigers in een land waar koopkracht structureel onder druk staat. Toch bleef het systeem intact, verkiezing na verkiezing.
Het burgerlijk geklaag voelt daardoor als mosterd na de maaltijd. Dezelfde burgers stemden immers massaal op deze volksvertegenwoordigers. Mandaat werd gegeven zonder voorwaarden, controle werd uitbesteed aan hoop. Nu blijkt hoop geen correctiemechanisme te zijn.
Iedereen wil meepraten, niemand wil inleveren. Iedereen wil herzien, niemand wil beginnen. Zo blijft de loonstrook het onderwerp, niet de keuze erachter. En zolang dat zo blijft, rommelt men rustig verder met geld dat nooit persoonlijk voelt, maar altijd collectief wordt genoemd.