Gemiste penalty, grote protest. Gemiste rechten, kleine schouders.

In Suriname bestaat een vaste hiërarchie van nationale verontwaardiging. Bovenaan staat voetbal. Als het nationale elftal verliest, is het land moreel failliet. Radio’s gaan open, WhatsAppgroepen exploderen en iedereen wordt plots bondscoach.

“Die trainer snapt er niks van”, zegt de man die gisteren nog klaagde over de rij bij de bakker.

Het verlies wordt persoonlijk genomen, alsof de spits bewust familie-eer heeft geschonden.

Daaronder, op veilige afstand, volgt het moment waarop de overheid het leven ingewikkelder maakt. Bedrijven verdwijnen, koopkracht verdampt, gezondheidszorg kraakt.

Dat is vervelend, maar abstract. Men zucht, schudt het hoofd en zegt: “Ja, dat is politiek.” Politiek is iets vaags, net als het IMF of regen in het droge seizoen. Je moppert erover, maar je blijft functioneren.

Het contrast is fascinerend. Bij een verloren wedstrijd wordt rouwkleding mentaal aangetrokken.

Bij verloren banen wordt gevraagd of er morgen nog voetbal op tv is.

Surinamers reageren rationeel: een regering komt en gaat, maar een gemiste penalty blijft voor altijd.

Zo ontstaat het nationale evenwicht. De leeuwen brullen bij sport, de schapen kijken omhoog bij beleid.

En ondertussen loopt het leven door, met humor als overlevingsmechanisme en voetbal als emotionele bliksemafleider.