In zijn boek ‘Van waar je ook komt!’ laat Jerry Finisie via het levensverhaal van Dena zien hoe taal – en vooral de beheersing van het Nederlands – een doorslaggevende hefboom kan zijn voor iemands persoonlijke ontwikkeling. Taal is in het boek nooit slechts een middel om te communiceren; het is een toegangspas tot onderwijs, zelfvertrouwen, sociale mobiliteit en uiteindelijk tot zelfstandig burgerschap en ondernemerschap. Finisie weeft dat thema door familierituelen, schoolervaringen en stedelijke migratie heen, waardoor de lezer ziet hoe woordenschat, lidwoorden, huisregels en zelfs sms-taal concrete gevolgen hebben voor kansen en keuzes.
Tekst Jerry Dewnarain*
Beeld LinkedIn & bol.com
Dena groeit op in een arm marron-gezin in Brownsweg, in het district Brokopondo in Suriname. Hij is een slimme, hardwerkende jongen die droomt van een betere toekomst. Ondanks de liefdevolle en opvoedkundige steun van zijn ouders, wordt hij geconfronteerd met armoede, beperkte onderwijskansen en de verleidingen van de goudvelden.
“Taal is macht, maar ook maakbaar“
Wanneer hij geld wil verdienen om een laptop te kopen, laat hij zich overhalen om illegaal goud te zoeken. Dit leidt tot gevaarlijke situaties en uiteindelijk tot zijn arrestatie en schorsing van school.
Toch geeft Dena niet op. Met steun van zijn familie verhuist hij naar Paramaribo, waar hij opnieuw begint op school. Hij leert omgaan met taalachterstanden, ontwikkelt doorzettingsvermogen en ontdekt zijn talent voor techniek. Door hard te studeren, te werken en steeds betere keuzes te maken, groeit hij uit tot een verantwoordelijke jongeman. Uiteindelijk haalt hij zijn diploma, loopt succesvol stage en werkt stap voor stap aan zijn toekomst.
Het boek laat zien hoe moeilijke omstandigheden niet bepalen wie iemand wordt. Door steun, discipline, moed en goede keuzes kun je, net als Dena, groeien en je dromen waarmaken, ongeacht waar je vandaan komt.
De hefbomen
Aan de hand van negen punten (hefbomen) wordt het belang van taal uitgelegd in dit essay.
1. Taal als gezinsethos: van ‘famii kuutu‘ naar een taalbewuste opvoeding
De familie Tamango vormt een hecht gezin (acht personen), waarin communicatie doelbewust wordt gecultiveerd. De regelmatige famii kuutu (gezinsvergaderingen) breken rangorde af en leren kinderen hun stem te gebruiken, argumenten te wegen en doelen te formuleren. Het gezin zet daarmee taal in als sociaal bindmiddel én als oefenplaats voor burgerschap: ‘Tijdens die bijeenkomsten zitten ouders en kinderen in een kring… iedereen [kan] zijn of haar mening laten horen’ (p. 22-23). Die communicatieve routine werkt door in het zelfbeeld van Dena, die leert dat zijn woorden ertoe doen en dat besluiten samen worden genomen.
Ook buiten de kuutu is taal expliciet onderwerp: moeder wijst erop dat ruzies ‘verhitte discussies’ zijn die je moet uitpraten vóór het slapengaan (p. 21). Het boek positioneert taal zo als relationele vaardigheid die emotie, redelijkheid en verantwoordelijkheid met elkaar verbindt.
2. De huisregel ‘geen Saamaka thuis’: de pragmatiek van taalkeuze
Bij hun oom in de stad geldt een strikte huisregel: geen Saamaka in huis, wel Nederlands. Dat is geen culturele afwijzing, maar een emancipatiestrategie tegen kansarmoede: ‘De regel… is niet ingesteld om de kinderen van hun cultuur te vervreemden… maar om ze te helpen kansarmoede te voorkomen’ (p. 67).
Finisie verbindt dit aan een heldere diagnose van onderwijsachterstanden: ‘Kinderen uit het binnenland (laten) slechtere leerprestaties zien… omdat de Nederlandse taalkennis en taalbeheersing… minder (is)’ (p. 67-68).
Door thuis consequent Nederlands te spreken en lezen verplicht te stellen (bedtijden en leesroutine), creëert de familie talige ‘exposure’ die Dena’s schoolse taalregister vergroot (p. 68). De impliciete stelling is dat taalbeleid in het klein, namelijk in de woonkamer, de opstap kan zijn naar zelfstandigheid in het groot (in school en samenleving).
3. Taalbarrières in de klas: lidwoorden, schaamte en (zelf)uitsluiting
Wanneer Dena aan de LTS begint, ervaart hij hoe taalachterstand sociale drempels opwerpt. Hij ‘voelt zich niet gelijk behandeld’ en ‘durft niet te spreken’ (p. 71). Het boek maakt dat concreet via lidwoordfouten: Dena twijfelt over simpele vormen (‘de/het klas’; ‘de/het beitel’), pakt dan maar zwijgend zelf het gereedschap en doorbreekt zo een beleefdheidsnorm met frictie tot gevolg (p. 71-72).
Finisie toont precieze mechanismen: talige onzekerheid → sociale terugtrekking → misinterpretatie van gedrag → stigma. Een pijnlijk moment is zijn vraag om een ‘faka’ (mes), waarna de klas ‘muistil’ wordt (p. 72).
De scène is literair klein, maar pedagogisch groot: de verkeerde code op het verkeerde moment kan iemands framing kleuren. Hier fungeert taal als poortwachter van status.
4. Taalcoaching en peer‑learning: Sher als keerpunt
Het tij keert wanneer Sher, het enige meisje in de klas, Dena systematisch helpt. Ze legt het Nederlandse lidwoordsysteem uit (‘de/het/een’; geslacht bepaalt het lidwoord) en introduceert het idee van ‘ezelsbruggetjes’, al bestaat er geen universeel ezelsbruggetje voor lidwoorden (p. 75-76). Hun ruilhandel – Dena helpt met wiskunde en natuurkunde, Sher met Nederlands – laat zien dat taalvaardigheid te bevorderen is als er een veilige, dialogische ruimte bestaat (p. 74-76).
Cruciaal is dat Sher Dena leert taal te zien als gereedschap: je vergroot woordenschat, oefent zinsbouw, checkt lidwoorden en je durft te spreken. Finisie suggereert dat peers vaak effectiever zijn dan pure instructie, omdat ze schaamte reduceren en de lat functioneel leggen: ‘Wanneer hij en Sher met elkaar praten… zij corrigeert hem telkens’ (p. 74). Correctie wordt zo zorg, geen vernedering.
5. Digitale taal: sms‑taal als kortsluiting van scholentaal
Finisie signaleert expliciet de spanning tussen populaire jongerencodes en schooltaal. Sms‑taal bijv. ‘cu’, ‘btw’, ‘w88’ is efficiënt en identiteitsvormend, maar kan ‘slecht voor de taal’ zijn en zelfs ‘een vorm van analfabetisme’ lijken wanneer ze in schoolwerk doorsijpelt (p. 76).
De boodschap is genuanceerd: technologie is waardevol (Dena leert online studeren en informatie zoeken), maar codes zijn contextgebonden; wie niet schakelt tussen codes, saboteert zichzelf. Taalbewustzijn betekent dus ook registerbewustzijn: weten welk taalgebruik wanneer telt.
6. Taal, communicatie en leren samenwerken
Het boek koppelt talige competentie aan samenwerkingsvaardigheden. Dena ontdekt via internet dat ‘de kwaliteit van relaties… bepaald (wordt) door de kwaliteit van de communicatie’ en dat duidelijke, respectvolle taal de motor is van efficiënt teamwork (p. 77).
Dat inzicht krijgt tastbare vorm: in het stapelbedproject: plannen lezen, materialen bestellen, instructies volgen en elkaar verstaan. ‘Vele handen maken licht werk’ geldt pas als taal de handen dirigeert (p. 77-78). Zo wordt taal de infrastructuur van praktisch succes.
7. Taal als route naar stedelijke integratie en onderwijscontinuïteit
De verhuizing naar Paramaribo brengt kansen én schokken. Plaatsing op een LTS (na teleurstelling bij muloscholen) is een tweede kans die talig moet worden ingevuld (p. 69). In de stad is het Nederlands het kapitaal waarmee je je beweegt door loketten, klaslokalen en werkvloeren.
De huisregel thuis (Nederlands spreken en lezen) en Shers micro‑tutoring op school verankeren Dena’s ‘schoolse’ taal. Het resultaat zien we later terug in zijn succesvolle stage bij Gross Mining, waar hij manuals leest, veiligheidsinstructies begrijpt en proactief communiceert met supervisors: allemaal talige handelingen die de stap van leerling naar professional mogelijk maken (p. 90-96). Taal wordt daarmee loopbaan‑infrastructuur.
8. Taal en morele oriëntatie: woorden die grenzen trekken
Taal vormt niet alleen vaardigheden, maar ook moraal. Ouders verwoorden waarden (‘mensen ontwikkelen zichzelf’), leggen regels uit, onderbouwen grenzen met argumenten en gebruiken slogans die blijven hangen (p. 16-18).
Ook in crisissituaties werken woorden als kompas, zoals Dena’s herinnering aan Nelson Mandela’s definitie van moed (‘niet hij die geen angst voelt, maar hij die die angst overwint’) wanneer hij ’s nachts langs de begraafplaatsen moet (p. 47). Het zijn taalankers die gedrag sturen in morele en existentiële grenssituaties.
9. Van taalachterstand naar taalagent: emancipatie door taal
Op macroniveau stelt ‘Van waar je ook komt!’ dat taalvaardigheid een voorwaarde is voor sociale mobiliteit bij jongeren uit het binnenland. Finisie benoemt de keten: beperkte toegang tot voortgezet onderwijs → minder Nederlandse ‘exposure’ → lagere taalbeheersing → misverstanden en discriminatie → minder zelfvertrouwen en kansen (p. 67-71).
Dena doorbreekt die spiraal door:
(a) thuis Nederlands te spreken en veel te lezen (p. 67-68)
(b) op school te oefenen met lidwoorden en woordenschat (p. 74-76)
(c) digitale bronnen doelgericht te gebruiken (p. 76-77)
(d) actief te communiceren in teams en stages (p. 77, 90-96).
Uiteindelijk wordt hij taalagent binnen zijn familie en toekomstige ondernemer: iemand die plannen verwoordt, klanten en collega’s aanstuurt en regels vertaalt naar handelen.
(lees verder onder de )
Auteur Jerry Finisie.
Slotbeschouwing
Finisie’s centrale boodschap kan in één zin worden samengevat: ‘Taal is macht, maar ook maakbaar’. Ze is macht omdat ze toegang geeft tot onderwijs, werk en respect; maakbaar omdat je met huisregels, peers, lezen en oefenen taal kunt bijleren, je register kunt verbreden en schaamte kunt verminderen.
Het boek laat zien dat structurele factoren (afstand tot scholen, armoede) zwaar wegen, maar dat taalbeleid in het gezin én op school die last kan verlichten. Dena’s traject van stille jongen met lidwoordschaamte naar proactieve stagiaire en aanstaande ondernemer is daarom niet alleen een verhaal over doorzettingsvermogen, maar vooral over taal als gereedschap voor levenskunst.
“Taalvaardigheid is een voorwaarde voor sociale mobiliteit bij jongeren uit het binnenland“
Meerwaarde ‘Van waar je ook komt!’
Dit boek kan dienen als een inspirerend voorbeeld voor Surinaamse kinderen die het Nederlands (nog) niet goed beheersen. Het laat zien dat taalachterstand geen beperking hoeft te zijn, maar een uitdaging die je met steun, motivatie en oefening kunt overwinnen.
Dena leert stap voor stap beter Nederlands, dankzij familie, school en doorzettingsvermogen. Zijn groei laat kinderen zien dat fouten maken mag en dat taalvaardigheid kan verbeteren door te lezen, te oefenen en te durven spreken. Het verhaal moedigt jongeren aan om in zichzelf te geloven en te blijven leren, ongeacht hun (etnische) achtergrond of taalniveau.
Bron: Finisie, J. (2024). Van waar je ook komt! Dena, een gedreven jongen met een helder beeld over zijn eigen ontwikkeling. Novum Publishing. ISBN 978-3-99131-863-7
*Jerry Dewnarain is neerlandicus en verdiept zich in het schoolvak Nederlands als vreemde taal.
- Distributie Monikarta in Para verloopt gestaag..
- President voert overleg met bedrijfsleven over wereldwijde …..
- Drie verdachten voor diefstal van schapen aangehouden door …..
- Oorlog rond Iran veroorzaakt economische schok: olieprijzen…..
- LVV verkent mogelijkheden voor pluimveehouderij in Boven-Su…..
- Sri Lanka repatrieert stoffelijke resten 84 Iraanse matroze…..
- Dj Spinz: ‘Buitenlandse dj’s worden meer gewaardeerd’..
- DNA neemt verzoek pg tegen drie ex-ministers in behandeling..
- Geen sterke leider maar sterke instituties..
- Brandstofprijzen in Suriname stijgen opnieuw door internati…..
- Woning Abiastraat in de as gelegd; vermoedelijk brandsticht…..
- Venezuela zoekt nieuwe koers..
- ESSAY — Taal als gereedschap: De casus Jerry Finisie’s ‘Van…..
- Misiekaba: geen aanwijzingen voor grootschalige fraude met …..
- VS en bondgenoten botsen met Rusland en China bij VN over I…..
- De rechtsstaat mag geen politieke selectiviteit kennen..
- ECD treedt weer op tegen overtredingen winkeliers..
- President Geerlings-Simons spreekt maatschappelijke groepen…..
- Veel aanhoudingen door phishingpraktijken..
- Misiekaba: ‘Algemene leiding van SZF ligt bij het stichting…..
- Regenweer houdt nog aan..