Erwin de Vries (1926-2018) was meer dan een inspiratiebron

Erotiek vormde een wezenlijk onderdeel van de artistieke identiteit van Erwin de Vries. Vanaf de jaren zestig kreeg dat thema een prominente plaats in zijn oeuvre en groeide uit tot een kenmerkend element van zijn werk.

Tekst en beeld Audry Wajwakana

Tegelijkertijd was De Vries intens betrokken bij het leven zelf, dat hij wilde vieren en omarmen. Die levenshouding zag cultuurhistoricus Hanneke Oosterhof niet alleen in zijn monumentale naakten, maar ook in zijn portretten. “Hij schilderde mensen niet alleen om commerciële redenen, maar ook omdat hij vond dat hun leven op doek of in brons vastgelegd moest worden. Dat zegt iets over hoe hij mensen waardeerde.”

“Het was veel werk, maar ook ontzettend leuk”Cultuurhistoricus Hanneke Oosterhof

Deze tweeledigheid vormt de kern van de biografie ‘Erotiek & Levenslust Erwin de Vries’, de eerste volledige levensbeschrijving van de Surinaamse kunsticoon, waaraan Oosterhof 6,5 jaar heeft gewerkt. Het boek is zaterdag onder grote publieke belangstelling in Readytex Art Gallery gepresenteerd.

Unieke combinatie

Oosterhofs eerste kennismaking met het werk van De Vries dateert uit het midden van de jaren negentig. “In 1996 of 1997 zag ik zijn werk voor het eerst in het Stedelijk Museum in Amsterdam bij de tentoonstelling ‘Twintig jaar Surinaamse beeldende kunst’, die eerder in het Surinaams Museum te zien was. Ik vond de tentoonstelling mooi, maar het werk van De Vries stak er voor mij met kop en schouders bovenuit.”

Wat haar vooral trof, was de zeggingskracht van zijn beeldtaal. “Zijn schilderijen zijn enorm kleurig en het gaat bijna altijd over mensen. Geen landschappen of stadsgezichten, maar mensen.”

Oosterhof stelt dat De Vries zich moeiteloos bewoog tussen figuratie en abstractie. “Hij was zowel realistisch als abstract. Die kleuren en penseelbeweging zie je ook terug in zijn beeldhouwwerken: vloeiende lijnen, veel beweging. Het zijn geen strakke werken.” Daarnaast viel zijn veelzijdigheid op. “Hij was én schilder én beeldhouwer. Dat zie je niet zo vaak.”

In 1998 bezocht zij zijn tweede solotentoonstelling, eveneens in in het Stedelijk Museum Amsterdam. “Vanaf dat moment ben ik hem blijven volgen.” Haar interesse in zijn werk raakte al snel verweven met haar interesse in Suriname, waar zij vanaf 2000 regelmatig kwam.

Informatie verzamelen

Na een loopbaan in de museumwereld, onder meer als hoofd collecties en tentoonstellingen en later bij het Textielmuseum in Tilburg, begon Oosterhof na haar pensionering in 2013 aan haar eerste biografie. Die ging over de Duits-Nederlandse architecte Lotte Stam-Beese (1903-1988). Dat boek verscheen in 2018, hetzelfde jaar waarin De Vries overleed. “Toen dacht ik: ‘er is nog helemaal geen biografie over hem’.”

Het idee liet haar niet meer los. Ze was vooral benieuwd hoe hij zich als Surinaamse kunstenaar in Nederland had gevoeld, waar hij vijfentwintig jaar had gewoond. In januari 2019 reisde Oosterhof naar Suriname en sprak met De Vries’ weduwe Lilian Abegg en dochters Gudrun en Sabine. Ze nam haar biografie over Stam-Beese mee als voorbeeld van haar werk.

Aanvankelijk wilden de weduwe en haar dochters bedenktijd, maar een dag later kreeg Oosterhof toestemming. Toch aarzelde zij en vroeg de familie of zij niet liever een Surinaamse auteur wilden benaderen, dan een witte vrouw. Die wens bleek er niet te zijn, want zij kenden niemand anders. Ze konden zich in haar schrijfstijl vinden en waardeerden dat zij met een zekere afstand naar De Vries keek.

Een cruciale rol in het onderzoek vormde het privéarchief in zijn woning aan de Anton Dragtenweg. Zeventien grote plastic bakken vol ’s, krantenknipsels, brieven en tekeningetjes waren voor haar een unieke bron.

Gedurende 2,5 jaar reisde Oosterhof twee keer per jaar naar Suriname om het materiaal te ordenen en te graferen. “Het was veel werk, maar ook ontzettend leuk.” Tegelijkertijd toonde het Rijksbureau voor Kunsthistorische Documentatie in Den Haag interesse om het archief als officieel kunstenaarsarchief op te nemen, wat verdere ordening vereiste. “Dat betekende ook opschonen en ordenen.”

Parallel hieraan maakte Oosterhof interviews in Nederland, Suriname, op Curaçao en Jamaica. Veel generatiegenoten van de kunstenaar waren inmiddels overleden, onder wie Stuart Robles de Medina en Rudi Getrouw, met wie hij naar Nederland studeerde. Daarom sprak zij ook met een generatie jongere kunstenaars, onder wie René Tosari, assistenten en familieleden.

Regionale doorbraak

De biografie volgt een chronologische lijn, aangevuld met thematische hoofdstukken. Oosterhof gaat terug tot de voorouders van De Vries in de slaventijd en deed daarvoor aanvullend onderzoek in het Nationaal Archief Suriname, de Evangelische Broedergemeente en in het archief van het Amsterdams Fonds voor de Kunst.

Daarbij besteedde zij aandacht aan de herkomst van zijn familienaam. Zo blijkt dat zijn betovergrootmoeder, maar ook zijn grootmoeder van vaderskant tot slaaf waren gemaakt. De kunstenaar heette tot zijn dertiende Erwin Fujooah. Zijn moeder, Anette Fujooah, was de dochter van een man die als kind vanuit Brits-Indië naar Suriname was gekomen om op de plantages te werken. Zij leefde in concubinaat met de zakenman H.J. de Vries, een weduwnaar met vijf kinderen. Samen kregen zij nog zeven kinderen, die hij later erkende.

Een ander hoofdstuk belicht de doorbraak van de kunstenaar in het Caribisch Gebied, met tentoonstellingen op Curaçao, Jamaica en Aruba. In ‘Vrouwen en erotiek’ staat zijn omvangrijke erotische oeuvre centraal. Oosterhof sprak daarvoor ook met drie naaktmodellen.

Het boek eindigt met ‘Kunstenaar in de 21ste eeuw’, waarin onder meer het Slavernijmonument uit 2001 in Amsterdam wordt besproken. Dat monument gaf hem in Nederland opnieuw zichtbaarheid, nadat zijn naam daar naar de achtergrond was verdwenen. Een soortgelijk monument voor Suriname, waarvoor hij een maquette voor maakte, werd nooit gerealiseerd. “Dat was een grote teleurstelling voor hem”, aldus Oosterhof.

Ook zijn periode binnen de Beeldende Kunstregeling komt aan bod. Tussen circa 1965 en 1984 leverde hij werk in dat door de Nederlandse overheid werd aangekocht. Dit toont volgens Oosterhof hoe zichtbaar hij in de jaren zestig en zeventig in Nederland was. Later verschoof het kunstlandschap naar meer conceptuele stromingen, waarin anderen, onder wie Stanley Brouwn, internationaal prominenter werden.

Koto en Mama Aisa

Van de 6,5 jaar jaar waarin Oosterhof aan de biografie heeft gewerkt, besteedde ze 2,5 jaar aan onderzoek in het privéarchief van De Vries. Het resultaat is een boek van 340 pagina’s met circa 180 ’s.

De grote belangstelling voor de boekpresentatie in Paramaribo verraste Oosterhof. De presentatie in Nederland op 8 november 2025 trok minder publiek. In Suriname werd de presentatie gekoppeld aan de tentoonstelling ‘Beyond Modernity: From Erwin de Vries to Contemporary Alakondre’ met Miguel Keerveld en Dhiradj Ramsamoedj als curatoren.

“Zijn schilderijen zijn enorm kleurig en het gaat bijna altijd over mensen. Geen landschappen of stadsgezichten, maar mensen”Cultuurhistoricus Hanneke Oosterhof

Voorafgaand aan de boekpresentatie bracht Keerveld met ‘The Root of Modernity and Its Beyond’, een artistieke ode aan De Vries. Keerveld verweefde elementen als de koto en het zingen van Mama Aisa. Volgens hem staat de erotiek in het werk van De Vries symbool voor ontmoeting, groei en wederzijds respect.

Keerveld ziet de grote opkomst bij de boekpresentatie als een bevestiging van de blijvende waardering voor de kunstenaar. “Hij was voor mij meer dan een inspiratiebron. Hij was een mentor en vaderfiguur”, zegt Keerveld, die speciaal vanuit Brazilië naar Suriname reisde voor deze hommage. Maandag is in G-Artblok de expositie ‘Erwins Echo’ geopend met bijbehorende kunstactiviteiten.