DE SNIJD: De blauwe kaart

DE SNIJD / Armand Snijders

Ik was onlangs tussen oude papieren aan het neuzen, op zoek naar een document dat ik nodig heb voor de verlenging van mijn paspoort. Dat moest zich in die ‘ene map’ bevinden die in de boekenkast ligt, maar die ik schijnbaar ooit eens verlegd heb. En wat in de loop der decennia meerdere mapjes zijn geworden, omdat ik dat ene mapje met het opschrift ‘oude papieren’ even niet kon vinden en daarom een ander mapje maakte met daarop de tekst ‘belangrijke stukken’. Zo ontstond weer jaren later de map ‘niet weggooien, oude zooi’, enzovoorts en enzovoorts. Als u zo’n chaoot bent als ik, herkent u dit vast wel.

Dus het werd uiteindelijk een zoektocht van jewelste, die natuurlijk veel langer duurde dan nodig was. Want snuffelend in al die verschillende mapjes met oude papieren, stukken, knipsels en vodjes, werd ik getrokken in een reis door mijn eigen verleden. Van veel documenten zag ik overigens de belangrijkheid niet meer in, dus die verdwenen in een vuilniszak, die gedurende de zoektocht rijkelijk werd gevuld.

“Wat bijvoorbeeld te denken van een officieel boos schrijven van toenmalig vicepresident Ashwin uit 2019, dat ook tussen alle papieren zat”

Maar met veel liefde geschreven knutselbriefjes (in de vorm van stropdassen of simpelweg hartjes) die mijn kinderen op school moesten maken voor Vaderdag, koester ik nog steeds. Of misschien nu ik ouder ben juist meer. Ze krijgen een speciaal plekje in de nieuwe map met ‘zeer belangrijke oude stukken’. Dat geldt ook voor het vergeelde briefje van mijn overleden dochter Ximena, waarvan ik de tekst graag voor mijzelf hou.

Privé en werk/zakelijk lopen ook in mijn oude rotzooi behoorlijk door elkaar, zoals dat ook in mijn leven grotendeels het geval is. Wat bijvoorbeeld te denken van een officieel boos schrijven van toenmalig vicepresident Ashwin uit 2019, dat ook tussen alle papieren zat. En waarin hij hoog bij laag beweert dat hij níet heeft gezegd dat de ‘gestolen’ kasreserves zijn gebruikt voor de aankoop van aardappels en uien, zoals ik toen in de Ware Tijd had geschreven.

Hij dreigde daarin zelfs met een rechtszaak als we niet zouden rectificeren. Maar we hadden bij de krant de bandopname van zijn uitspraken die hem zijn leven lang zullen worden nagedragen, dus de rectificatie kwam er niet. Hij was wel zo verstandig om ook af te zien van een rechtszaak.

Verder struikelde ik over oude verblijfsvergunningen, verlopen paspoorten én…. de blauwe kaart! Ik was eigenlijk al vergeten dat ik die had. Het zegt u waarschijnlijk niets, maar het was een document dat ik toen ik mij met mijn gezin in Suriname vestigde, absoluut móest hebben, zo drukte de ambtenaar van het CBB aan de Coppenamestraat (zoals die toen nog heette) mij op het hart.

Ik liet mij toen als vreemde in mijn nieuwe thuisland al snel van alles wijsmaken, en ging in de weken of maanden die volgden braaf overal in allerlei rijen staan. Ik heb destijds voor mijn gevoel elk loket en iedere kamer op elke verdieping van het hoofkantoor van Burgerzaken en bij Vreemdelingenzaken wel gezien. Ik ben echt van het kastje naar de muur gestuurd én terug. Aan het einde van de speurtocht moest ik opeens naar CBB te Combé om vijftig Sf te betalen; dat kon echt niet bij het hoofdkantoor en dus – huppakee – sprong ik in een taxi om deze laatste hobbel te nemen en terug. Daarna kon het grote wachten beginnen. Dat duurde schijnbaar veel langer dan ik mij kan herinneren, want ik kreeg de blauwe kaart pas op 10 juli 1997, ofwel na ruim vier jaar in Suriname, aldus de datum van afgifte en mijn eerste verblijfsvergunning.

“Alleen al om die reden en om het verhaal dat er achter zit, krijgt mijn blauwe kaart een speciaal plekje in mijn nieuwe map met ‘zeer belangrijke oude stukken’”

Ik kan mij in ieder geval wél nog heugen dat toen ik de CBB-ambtenaar bij het afhalen vroeg wat ik nu met die blauwe kaart moest, hij tot mijn grote verbazing droogjes zei: “gewoon goed bewaren”. Maar welke waarde het documentje nou had, daar kon hij geen antwoord op geven. Hij wist dat ook niet en zei dat ze de kaart van oudsher gaven omdat het ze van hogerhand was opgedragen. Ik heb het vervolgens nooit ergens voor kunnen gebruiken en op een gegeven moment verdween deze in de map met ‘oude documenten’, om nu pas weer boven water te komen.

Gedreven door nieuwsgierigheid ben ik gaan speuren op internet of er iets te vinden was over het duistere kaartje, een mogelijkheid (internet) die in 1997 niet bestond. Al snel was het raak: de ‘Registratiekaart ingevolge art.2, lid 4 Decreet C-68’, zoals de officiële benaming luidt, stamt uit de militaire tijd en wordt omschreven als een ‘identificatie- en registratiedocument dat destijds verplicht was voor het verblijf en de registratie van vreemdelingen in de Republiek Suriname’. Het decreet is van 9 juli 1982 en werd in het Staatsblad 1982 no. 107 gepubliceerd.

Eigenlijk maakte mij dat nog niet veel wijzer. Ook niet dat ‘dit specifieke artikellid de verplichting oplegde voor vreemdelingen om zich te registreren. Na deze registratie werd door de overheid een officiële registratiekaart verstrekt’. Maar waar je die kaart als vreemdeling voor nodig had, blijft een raadsel. Kennelijk was het vooral de bedoeling van de militairen om de ambtenaren van de ministeries van Binnenlandse Zaken en – toen nog – Justitie werk te geven, vermoed ik zo. Want ik heb nog nooit gehoord dat iemand in de problemen is gekomen omdat hij de blauwe kaart niet kon overleggen. Er werd immers nooit naar gevraagd.

En het is míj nooit opgevallen dat voornamen van drie van mijn vier dochters foutief op de kaart waren getypt. Of ik heb dat destijds maar zo gelaten en vond het wel goed zo. Want ik heb in die jaren wel geleerd dat je voor alles waar lanti mee is belast, een engelengeduld moet hebben. Ook voor naamswijzigingen op een nutteloze kaart, die dus bij mij tussen andere rommel belandde.

Het bewuste Decreet C-68 is formeel in 1991 ingetrokken en vervangen door de Vreemdelingenwet en daarmee verdween ook de registratiekaart definitief uit beeld. Alleen al om die reden en om het verhaal dat er achter zit, krijgt mijn blauwe kaart een speciaal plekje in mijn nieuwe map met ‘zeer belangrijke oude stukken’.

Al was het alleen maar uit waardering voor al die ambtenaren die destijds niet konden bevroeden dat hun noeste – maar volstrekt zinloze – arbeid van weleer, in 2026 onderwerp van een column in de Ware Tijd zou zijn. Misschien dat mijn kleinkinderen of achterkleinkinderen daar later kostelijk over kunnen vertellen. Het is echter wel te hopen dat ze de blauwe kaart te zijner tijd kunnen vinden!.armand.snijders@gmail.com