Centrale Bank heeft weinig grip op inflatie in Suriname

De traditionele verklaring voor inflatie, waarbij een te grote geldhoeveelheid als belangrijkste oorzaak wordt gezien, is volgens professor dr. Ruben Gowrichar, niet toepasbaar op kleine open economieën zoals Suriname. In een recent essay legt hij uit dat wereldwijde prijsschommelingen, wisselkoersveranderingen en marktmacht van bedrijven, minstens zo bepalend zijn voor de stijgende kosten van levensonderhoud.
Gowrichar wijst op een discrepantie tussen macro-economische cijfers en de dagelijkse ervaring van burgers.
“Terwijl regeringen en economen verwijzen naar groei van werkgelegenheid en investeringen, merken consumenten dat de prijzen in supermarkten en op de energierekening blijven stijgen”, stelt hij. Deze kloof tussen statistiek en praktijk doet zich volgens hem ook voor in Nederland en de Verenigde Staten.
Inflatie of geldontwaarding, wordt volgens Gowrichar, ongelijk gevoeld. Stijgende grondstofprijzen of wereldwijde energieprijzen raken ondernemers en overheid anders dan huishoudens die huur en dagelijkse benodigdheden betalen. ‘’Sociaaleconomische verschillen maken dat de lasten van inflatie ongelijk worden verdeeld’’, aldus Gowrichar.
In veel landen wordt de Consumentenprijs-index (CPI) gebruikt om inflatie te meten. Gowrichar waarschuwt dat dit instrument in kleine open economieën vaak misleidend kan zijn. “De CPI is een gemiddelde dat grote verschillen tussen huishoudens maskert en kan de werkelijke koopkrachtontwikkeling niet altijd nauwkeurig weergeven”, aldus de professor.
Over de oorzaken van inflatie stelt Gowrichar dat het klassieke monetaristische model, gebaseerd op de vergelijking van Irving Fisher (MV=PT), niet volledig toepasbaar is op open economieën. In landen als Suriname, waar import, export, remittances en ongeregistreerd kapitaal een grote rol spelen, bepaalt de wereldmarkt in sterke mate de prijzen. Bovendien blijkt dat kredietverlening door banken nauwelijks de geldhoeveelheid bepaalt, omdat grote bedrijven vaak eigen middelen gebruiken en burgers geld in buitenlandse valuta parkeren.
Gowrichar gebruikt naast de term ‘inflatie’, ook de termen ‘graaiflatie’ en ‘krimpflatie’. Graaiflatie verwijst naar prijsverhogingen die vooral worden veroorzaakt door ondernemers die hun marktmacht benutten, terwijl krimpflatie optreedt wanneer consumenten minder product ontvangen voor hetzelfde bedrag. Beide fenomenen dragen volgens hem bij aan de stijgende kosten van levensonderhoud in Suriname, ongeacht de geldhoeveelheid.
Wat betreft beleidsmaatregelen is Gowrichar kritisch over het gebruik van renteverhogingen als instrument om inflatie te bestrijden. In een economie waar drie vierde van de deposito’s in USD of euro’s is aangehouden en waar de wisselkoers wordt gedomineerd door een oligopolie van valutahandelaren, blijkt rente nauwelijks effect te hebben op inflatie. “De CBvS kan door deze dollarisatie de geldhoeveelheid nauwelijks beïnvloeden”, stelt hij.
Gowrichar pleit daarom voor een bredere aanpak van inflatie in kleine open economieën. Naast monetaire maatregelen, kan de overheid fiscale interventies nemen, toezicht op graaiflatie aanscherpen en zo nodig maximumprijzen instellen voor basisproducten.
Tot slot wijst hij erop dat inflatie niet alleen nadelen kent. Voor ondernemers en schuldenaren kunnen prijsstijgingen juist een stimulans of verlichting bieden. ‘’Maar voor huishoudens met lage inkomsten zijn de toenemende kosten van levensonderhoud een directe aanslag op hun koopkracht en levensstandaard. Inflatie is het instrument van de rijken en machtigen, en een vloek voor degenen die weinig hebben”, concludeert Gowrichar.
Bron: VES-Inzicht, januari 2026
The post Centrale Bank heeft weinig grip op inflatie in Suriname ..