BIS: Heffingen Corantijnrivier zijn bestaand recht

door Ivan Cairo

PARAMARIBO – De regering stelt onomwonden dat de huidige maritieme heffingen op de Corantijnrivier geen nieuwe beleidswijziging zijn, maar gebaseerd zijn op langbestaande wettelijke bepalingen en de Surinaamse jurisdictie. In een officiële verklaring van het ministerie van Buitenlandse Zaken, Internationale Handel en Samenwerking (BIS) wordt verduidelijkt dat deze kosten op een consistente en niet-discriminerende wijze worden toegepast op alle vaartuigen. De regering reageert hiermee direct op publieke uitspraken van de Guyanese president Irfaan Ali over de rechtmatigheid van deze heffingen. Op zijn Facebook-pagina protesteerde president Ali eerder op de dag over de rivierheffingen.

Het ministerie benadrukt dat Suriname in 2012 een zeer specifieke uitzondering heeft gemaakt die niet als algemene regel mag worden gezien. Deze vrijstelling was “uitsluitend ten behoeve van vaartuigen die opereren ter ondersteuning van de Guyana Sugar Corporation (GuySuCo)”. Volgens Paramaribo was deze regeling een gerichte maatregel van samenwerking en “nadrukkelijk niet bedoeld om buiten deze afgebakende reikwijdte te worden toegepast”. Hoewel er op 12 januari dit jaar al diplomatieke correspondentie over dit onderwerp naar Guyana is gestuurd, heeft de Surinaamse zijde tot op heden geen formele reactie ontvangen.

In plaats van publieke verklaringen adviseert het ministerie de weg van de diplomatie. De regering stelt dat “indien Guyana wenst de destijds gegeven ontheffing nader te bespreken dan wel uitbreiding daarvan aan te vragen”, dit via de gebruikelijke kanalen kan worden voorgelegd om te onderzoeken wat de mogelijkheden zijn. Dit wordt gezien als een effectievere vorm van communicatie die past binnen de beginselen van goed nabuurschap en wederzijds respect. Desondanks onderstreept Suriname het grote belang dat zij hecht aan een sterke en toekomstgerichte economische relatie met Guyana.